Doctoraatsopleiding in de criminologische wetenschappen (Leuven)

De doctoraatsopleiding is verplicht en dient succesvol te worden afgerond vooraleer de doctorandus/a de toelating krijgt om het proefschrift in te dienen en openbaar te verdedigen.

De doctoraatsopleiding bestaat uit een truncus communis en een aanvullend gedeelte. De doctorandus/a kan de doctoraatsopleiding pas voltooien indien aan de elementen van de truncus communis voldaan is.

De truncus communis bestaat uit volgende elementen:

1.het schrijven van ten minste één wetenschappelijke publicatie op internationaal niveau of een gelijkwaardige realisatie op internationaal niveau. Onder een publicatie op internationaal niveau wordt verstaan: een gereviewde bijdrage (tijdschriftartikel, bijdrage in een boek, conferentieproceeding, octrooi, ontwerp) over het eigen onderzoek en geschreven in de forumtaal van het vakgebied. De bijdrage is gericht op een internationaal publiek. Om de doctoraatsopleiding succesvol te kunnen afronden, moet de bijdrage  gepubliceerd zijn of aanvaard zijn voor publicatie. Bij de beoordeling van dit criterium komen enkel publicaties in aanmerking waarvan de doctorandus/a eerste (maar niet noodzakelijk enige) auteur is. De coördinator van de doctoraatsopleiding kan hierop wel een uitzondering toestaan voor monografieën waaraan de doctorandus/a een significante, individualiseerbare bijdrage heeft geleverd, maar waarop hij/zij toch niet als eerste auteur is vermeld;

2.het geven van ten minste twee seminaries, hetzij over het eigen doctoraatsonderzoek, hetzij over een meer algemeen thema. Minstens één van beide seminaries handelt over (een deelaspect van) het eigen doctoraatsonderzoek. De presenterende doctorandus/a stelt voor beide seminaries telkens twee disputanten aan, waarvan minstens één doctorandus is van de faculteit. Minstens één seminarie wordt gegeven in de taal van het geplande proefschrift van de doctorandus/a (zie art. 15 van het doctoraatsreglement voor meer details). Bijkomend omvat de truncus communis ook nog het bijwonen van ten minste vier doctoraatsseminaries waarvan twee als disputant; 

3.het geven van ten minste één mondelinge of poster presentatie op een internationaal wetenschappelijk congres. Bij de beoordeling van dit criterium komen enkel presentaties in aanmerking waarvan de doctorandus/a eerste (maar niet noodzakelijk enige) auteur is;

4. het volgen van seminaries of opleidingsonderdelen specifiek georganiseerd voor doctorandi/ae, ten belopen van 16 uren.

5.het volgen van het opleidingsonderdeel ‘Scientific integrity for starting PhDs’ tijdens het eerste jaar van de doctoraatsopleiding. Het volgen van het opleidingsonderdeel ‘Scientific Integrity for starting PhD’s’ is verplicht voor doctorandi/ae waarvan de doctorale periode van start ging tijdens of na het academiejaar 2014-2015;

6.het rapporteren over de voortgang van het doctoraatsonderzoek zoals gespecificeerd in art. 13 van het doctoraatsreglement.

 

Het aanvullend gedeelte bestaat uit bijkomende activiteiten en vorming die de doctorandus/a volgt in functie van het doctoraatsonderzoek en/of als voorbereiding op het professioneel functioneren binnen of buiten de universiteit. De doctorandus/a is de eindverantwoordelijke voor het aanvullende gedeelte. Het aanvullende gedeelte mag niet strijdig zijn met het statuut van de doctorandus/a en mag niet hinderlijk zijn voor de voortgang en de kwaliteit van het doctoraatsonderzoek.

 

Indien aan alle verplichtingen van de doctoraatsopleiding is voldaan, richt de doctorandus/a een verzoek aan de doctoraatscommissie om het getuigschrift van voltooide doctoraatsopleiding te bekomen.

 

De doctoraatscommissie onderzoekt of de gevolgde doctoraatsopleiding beantwoordt aan de gestelde eisen en beslist, na het advies van de opleidingscoördinator te hebben ingewonnen, over de toekenning van het getuigschrift. In voorkomend geval kan de doctoraatscommissie bijkomende activiteiten opleggen.

Als doctorandus heb je een diepgaande interesse voor een bepaald vakgebied aangevuld met een brede maatschappelijke belangstelling. Bovendien ben je bereid om je gedurende een periode van vier jaar toegewijd in te zetten voor vernieuwend wetenschappelijk onderzoek. Tijdens deze periode verbreed en verruim je je kennis van je vakdomein en ontwikkel je je eigen onderzoekscompetenties steeds verder.