Antropologie van de kunst (B-KUL-S0D39A)

4.0 studiepunten Nederlands 26.0 Tweede semesterTweede semester Verdiepend
POC Antropologie

Inzicht in aantal dimensies van kunst en esthetische productie, crosscultureel.

ANTROPOLOGIE VAN DE KUNST
 
 
Cross-cultureel is het verlangen aanwijsbaar naar het beleven van een paradoxale uittreding en tot-zichzelf-koming, die als vervullend en bevrijdend ervaren wordt. Deze paradoxale beweging voltrekt zich op verschillende gebieden:
   
·         de religieuze sc. mystieke impuls
·         de ethische impuls
·         de esthetische impuls
 
De eerste streeft naar een betrokkenheid op het/de Radikaal andere (dat op velerlei wijzen kan benoemd worden: God, Zijnsgrond, het Absolute,…), de tweede naar een betrokkenheid op de contingente andere (de mens, maar ook elk levend wezen), de derde naar een contact met een andere 'onraakbare' diepte in het zelf. Dit ‘raken’ verloopt langs zintuiglijke waarneming maar situeert zich in een meta-sensitief veld buiten het Bewuste. De zintuiglijke basis van deze ervaring komt tot uiting in het begrip 'esthetisch', van het Grieks aisthanomai, 'gewaarworden'.
 
Is ‘kunst’ een Westers concept, en komt het begrip ‘esthetica’ eveneens voort uit dezelfde traditie, toch is het streven naar het esthetische een door alle culturen gedeeld verschijnsel. De talige definitie ervan is cultureel gebonden en kan eventueel ontbreken, maar dat staat het bestaan van de esthetische productie niet in de weg.
 
Onze benadering volgt zes invalshoeken: de relatie zintuiglijkheid/esthetica, de verschijningsvormen van kunst, het fenomeen ‘stijl’ en zijn wordingsgeschiedenis, de functies van kunst, de gender-specifieke dimensies en de grondslagen van de esthetische impuls.
 
 
1.      Zintuiglijkheid/esthetica
 
Elke cultuur ontwikkelt een eigen variant van zintuiglijkheid (primaat van bepaalde zintuigen, gebruik en zingeving), die men sensorium noemt. In het Westen primeert het zicht, hetgeen tot een bepaalde visie op kunst heeft geleid. Deze kijk is geen objectieve wetenschap maar een cultuurgebonden waardenpatroon.
Het zintuiglijk model is onderhuids aanwezig in de taal, in het geloof, in de kunst; het geeft voorbewust gestalte aan de expressie in deze domeinen.
De sensorialiteit is een fundament in de cultuurgebonden invulling (en eventueel definiëring) van het esthetische en zijn betekenis.
 
 
2.      De velden van de kunst
 
‘Kunst’ is niet beperkt tot zelfstandige kunstwerken, maar beslaat een brede en moeilijk af te bakenen waaier van media. Ook de grenzen van ‘kunst’ zelf vervloeien.
 
Vooreerst is er de lichaamskunst (body art) en het via het lichaam tot stand komende esthetische werk. Het lichaam is overigens de eerste en cross-culturele betekenisgever. De kunst van de lichamelijke stilering behelst tidelijke (beschildering, tatouage, haartooi, kleding, sieraden,…) en definitieve ingrepen. De ‘mode’ staat hier centraal.
Het werken met het lichaam als esthetisch medium behelst: dans,  performance (shamanistische trance, mystiek, alsook de performance in de hedendaagse kunst), en ritueel.
Een apart statuut bekleedt de kookkunst.
 
Ten tweede is er de omgevingskunst (land art, installatie…). Deze installeert een tijd/ruimte-zingeving en een mikro-/makrokosmos-transpositie van het lichaamsmodel in analoge velden.
Aspekten die aan bod komen zijn : grafcultuur, grootschalige installaties (megalithen, geogliefen, abstracte concepten), zingevende topografie,  wooncultuur, en efemere kunst.
 
Ten derde is er het autonome (kunst)werk (schilderkunst, beeldhouwkunst, edelsmeedkunst, textiel,…).
 
Bij deze materie sluit de problematiek aan van de rangorde of hiërarchie van de kunsten, van de dichotomie van ‘lage’ en ‘hoge’ kunst, van de grenzen van de kunst, en van de definitie van een canon/ en zijn transgressie.
 
 
3.‘Stijl’
 
Het artistieke wereldpatrimonium vertoont talloze stijlen. Deze kunnen       herleid worden tot vier basistendensen, die niet strikt afgebakend kunnen worden.
 
Stijl is geen bewuste en autonome schepping, maar het eindprodukt van een reeks processen, die starten op het onbewust niveau van psycho-corporele uitingen, ‘vertaald’ worden naar lichaamsgebonden esthetische expressies, en eventueel ontlichamelijkt worden naar zelfstandige scheppingen toe. Kernvraag is: hoe en waaruit ontstaat een stijl als collectieve esthetische vorm?
De esthetische impuls is een pulsie, een drijfveer die haar oorsprong vindt in het onbewuste. Geen enkel kunstwerk is te herleiden tot of kan omgezet worden in een bewust, beschrijvend talig vertoog of vice versa.
De kunsttheorie is steeds een aposteriori, geformuleerd nadat de basisprocessen (de wording van een stijl) zich al afgespeeld hebben. Ze is meestal normatief, wil de praktijk naar bepaalde doeleinden sturen. Maar ze is niet de motor van het gebeuren.
Men zou kunnen stellen dat het kunstwerk in zich een lange weg bevat: het ontstaat uit onbewuste pulsies, loopt door een lichaamsgebonden arbeidsproces, en wordt een esthetisch ‘eindprodukt’. In een kunstwerk huist een combinatie die tegelijk basic en geabstraheerd is. In deze paradox ligt deels de (on)toegankelijkheid en lichamelijkheid waarin het wortelt. Het is verwant aan en gegroeid uit de meest ontoegankelijke psycho-corporele pulsies en het staat er lichtjaren van verwijderd.
Het esthetische werk doorloopt een waaier van (‘onderaan’) de meest impulsieve psychosomatiek tot (‘bovenaan’) de meest losgekoppelde, ‘hoogstaande’ vormgeving. Om die waaier te begrijpen moet men voor de diverse media, waarin hij tot uiting komt, oog hebben: het basisniveau (psychosomatiek), de lichaamsgebonden kunstvormen, en het ‘ontlichamelijkte’ kunstwerk.
 
Dit betekent niet dat de vormen en ‘inhouden’ van al deze media hun neerslag vinden in de kunst en de stijl van een gegeven periode. Sommige inhouden vinden enkel een uitweg in bepaalde media en kunnen niet omgezet worden in een ander medium. Maar het is nodig deze waaier te kennen om de collectieve pulsies van een cultuur en het arsenaal aan uitdrukkingsvormen die beschikbaar zijn of ontwikkeld worden in te schatten. Dit alles ondergaat een filtering (door de druk van het decorum, ideologische premissen, etc.) alvorens uit te monden in een geofficialiseerde kunststijl.
Stijl is een eindprodukt van een reeks processen. Deze starten op een onbewust niveau van psycho-corporele uitingen, die vertaald worden naar lichamelijke kinetiek en eventueel naar lichaamsgebonden esthetische expressies. Eventueel ook kunnen deze expressies ‘ontlichamelijkt’ worden naar autonome kunstwerken.
 
In de beeldende kunst kan men volgende tendenzen onderscheiden :
 
a.  'Expressionistische' stilering. Deze kenmerkt vooral de kunst in tribale leefgemeenschappen zonder doorgedreven socio-economische opdeling, maar ook de kunst van een aantal centraliserende en gestratifieerde rijken die op hun tribale cultuur voortbouwden, zij het dat ze hun esthetische impuls in andere media (bv. van hout- naar steensculptuur) 'vertaalden'.
 
b. 'Realistische' stilering. Het mensbeeld wordt in 'fotografische' zin meer op de werkelijkheid afgestemd. Deze strekking is eigen aan centralistische rijken met een sterk ontwikkelde hofcultuur.
De meest extreme vorm hiervan is de Westerse kunst, van de Grieks-Romeinse oudheid over de Renaissance tot het 19e-eeuwse Academisme.
 
c. Repetitieve abstrahering of decoratieve 'horror vacui'. De afbeelding van de visuele werkelijkheid wordt herleid tot een veld van abstraheringen, vooral als 'achtergrondkunst'. Dit systeem is eigen aan culturen zonder 'autonome' anthropomorfe kunst (zoals in de oude Europese plattelandscultuur), maar ook aan monotheïstische culturen met beeldverbod  (zoals de Islam), en aan de Europese ‘elitaire’ decoratieve kunst.
 
d. Abstractie. Hiermee beogen we niet die kunst, die uitgaat van de waarneming van de natuur en de visuele prikkels 'abstraheert' tot vormen, maar de kunst die uitgaat van introspectieve waarnemingen die synesthetisch in vorm en kleur vertaald worden.
De  moderne Westerse abstractie  vanaf de vroege 20e eeuw wordt volledig ten onrechte beschouwd als de ‘uitvinder’ ervan : de pure abstractie bestond al eeuwen in vele rurale textieltradities.
 
e. Bij de abstractie sluit de enscenering van de beeldloosheid aan. In animistische culturen worden 'vormloze' natuurkrachten door mise-en-scène gesuggereerd; in monotheïstische culturen (Byzantijns iconoclasme en Reformatie; Judaïsme; Islam) wordt het Absolute aldus opgeroepen.
 
 
4. Het ‘nut’ van de kunst
 
De beeldende kunst is steeds multifunctioneel geweest. Ze geeft gestalte aan menselijke bekommernissen die bezwaarlijk of onmogelijk gestuurd en gehanteerd konden worden. Hoewel de artistieke impuls in het onbewuste ligt, situeren zich een aantal functies van het artistieke veld op bewust niveau.
 
De oudste is wellicht de magico-religieuze functie waardoor de mens het onzichtbare zichtbaar trachtte te maken en een beter leven voor zichzelf af te smeken. Deze lijn loopt van prehistorische tot de hedendaagse abstracte kunst.
 
Een tweede functie is de sociopolitieke, de manifestatie van de machtsverdeling.
 
Een derde functie is de esthetische en para-esthetische, waarin geen officiële religieuze en politieke dimensie aanwezig is, zoals in de Westerse genre-kunst.
 
Een vierde functie is commemoratief van aard.
 
Een vijfde  functie is transformationeel en is eigen aan spirituele kunst.
 
Deze opsplitsing in functies is deels kunstmatig; in vele gevallen is één en   hetzelfde kunstwerk multifunctioneel.
   
 
5.    Kunst en gender
 
Wereldwijd bezit beeldende kunst een gender-specifieke dimensie. Een tendens tekent zich af : door mannelijke kunstenaars voortgebracht werk neigt naar de figuratie en de symbolische mededeling, door vrouwelijke kunstenaars geproduceerde scheppingen neigen naar de abstractie en naar een analoge zingeving.
 
Speciale aandacht zal besteed worden aan kunst van religieuze vrouwencommunauteiten in Europa, en aan de weefkunst.
 
De figuratieve optie en de abstracte optie wijzen op een tweevoudig scheppend beginsel, dat weliswaar door elkeen gedeeld wordt maar waarin --tenminste tot voor de 20e-eeuwse moderniteit-- een gender-specifieke tendens aanwijsbaar is.
 
 
 
6.    De grondslag van de esthetische impuls
 
De esthetisch scheppende impuls streeft naar het terug-aanwezig-maken   (re-praesentare) van iets wat verloren of ongrijpbaar is. Dit 'iets' ligt in de orde van de zingeving, ook al gaat het om een abstracte en 'inhoudsloze' voorstelling. Op de oorsprong van de drang naar zingeving of van de betekenisschepping is zowel de Lacaniaanse als de post-Lacaniaanse psychoanalyse ingegaan.Voor de eerste richting kan betekenisschepping slechts plaatsvinden doorheen een substitutiemodel. Elke betekenis-schepping is maar mogelijk binnen dit veld van het symbolische dat pas kan ontstaan door de subjectwording en de primaire afsplitsing van het ego t.o.v. een aantal archaïsche ervaringen die voor eeuwig een verlies en gemis zullen zijn. De post-Lacaniaanse richting ontwikkelt naast Lacan’s paradigma een model van een andere symbolische ruimte, die matrixiaal kan genoemd worden. De matrix opereert niet via de afwezig/aanwezig-dynamiek, maar via de metramorfose en het borderlink-concept.  Richtingwijzend is heden het onderzoek van de psychoanalytica Bracha Ettinger.
Beide modellen zijn essentieel voor een inzicht in het zingevingsproces en de  creatieve impuls.
Essentieel is eveneens, binnen elk denken over de esthetische impuls, de spanning tussen zichtbaarheid / onzichtbaarheid, toonbaarheid / ontoonbaarheid, voorstelbaarheid / onvoorstelbaarheid. Deze wordt in elke cultuur op een eigen wijze aangevoeld en eventueel gedefinieerd. Het raken aan de verborgenheid en het gebruik van de blik staan centraal in de vraag naar de beeldschepping van een cultuur. Naast de implicaties op de religieuze iconografie is er de weerslag op de gender-specifieke zichtbaarheid (bv. sluier/versluiering) en het visuele taboe.
 

Cursustekst

Onderwijsleeractiviteiten

4.0 sp. Antropologie van de kunst (B-KUL-S0D39a)

4.0 studiepunten Nederlands Werkvorm: College 26.0 Tweede semesterTweede semester
POC Antropologie

Theoretische discussies worden afgewisseld en onderbouwd met empirisch materiaal.  Een eerste deel van de lessen behandelt de pogingen om “kunst” en “populaire cultuur” te definiëren en legt de nadruk op de Westerse en excluvistische oorsprong van deze concepten. Hierbij wordt specifiek aandacht besteed aan de bijdrage van antropologie zelf aan de constructie van begrippen als “primitieve kunst” en “etnische kunst”, en worden er alternatieven aangereikt (Gell, Chatterjee). In een volgende onderdeel worden “media” (vooral video, TV en film) behandeld. Concepten zoals “indigenous media” (Ginsburg), “aesthetic formations” (Meyer), “media brokers”, en “news as cultural narratives” (Bird) worden aangereikt om de socio-culturele ingebedheid van media te bestuderen. Het voorlaatste onderdeel behandelt de vraag naar de relatie tussen “populaire cultuur” en “realiteit” door in te zoomen op spel en humor. Is het ludieke in de samenleving een aparte zone (Bateson), of kunnen bepaalde culturele genres als sociale metacommentaren (Turner) beschouwd worden? Handelman’s theorieën rond gebeurtenissen die modelleren/presenteren/representeren worden besproken om aan te geven dat culturele vormen soms een eigen doelgerichtheid bezitten, terwijl andere vooral hun sociale betekenis verkrijgen door de confrontatie met het “niet-ludieke”. De sociale context van humor wordt behandeld in de discussie van schertsrelaties (Radcliffe-Brown), tricksters (Pelton) en clowns (Handelman). In de laatste lessen wordt de aandacht verlegd naar  de socio-culturele context van “dance events” (Gell, Peterson-Ryce, Daniels), muziek en sport (Appadurai, Dyck en Archetti).

Artikels (Toledo)
Documentaires (Patrasche. A Dog of Flanders; en Sattelite Queens) Powerpoint presentaties (Toledo)

Evaluatieactiviteiten

Evaluatie: Antropologie van de kunst (B-KUL-S2D39a)

Modaliteit van de evaluatie : Mondeling met schriftelijke voorbereiding
Tijdstip : examen tijdens de examenperiode
Soort evaluatie : Paper

quoteringspercentages: 10/20 (paper) + 10/20 (mondeling examen)