Praktijk- of onderzoeksstage onderwijs- en opleidingskunde (B-KUL-P0S39A)

20.0 studiepunten Nederlands 20.0 Beide semestersBeide semesters Gespecialiseerd Uitgesloten voor examencontract
POC Master in de Pedagog. Wet. en Master in de Educatieve Studies

De student Onderwijs- en Opleidingskunde dient bij het voltooien van dit opleidingsonderdeel het volgende te bereiken.

Leerresultaten:
1. De student (Onderwijs- en Opleidingskunde) heeft een concreet beeld verworven van een onderwijs- of opleidingscontext (praktijk, beleid en/of onderzoek) waarin pedagogen als academisch gevormde professionals rollen en verantwoordelijkheden opnemen en van de beroepsdilemma’s waarmee onderwijs – en opleidingskundigen worden geconfronteerd en hij/zij is in staat daarover passend te communiceren en te rapporteren.
2. De student is in staat om - met een wetenschappelijke houding en kritisch-reflectief gebruik makend van theoretische denkwijzen en referentiekaders en van wetenschappelijk onderzoek - in praktijk- en beleidssituaties een probleemanalyse te maken, interventies resp. handelingen uit te voeren en hij/zij kan omgekeerd vanuit praktijk- en beleidssituaties kennis genereren. In het geval van een onderzoekstage in een onderzoekscentrum is hij/zij in staat bij te dragen tot de kennisontwikkeling in het betreffende domein.

Vormingsdoelen:
3. De student kan - binnen de feitelijkheden en mogelijkheden van een organisatie en in overeenstemming met de deontologie - een professionele rol en verantwoordelijkheid opnemen en onderwijskundige en opleidingskundige handelingen stellen en vanuit een wetenschappelijke visie verantwoording afleggen tegenover opdrachtgevers, de organisatie en het beleid.
4. De student kan participeren aan facetten van het (intern en extern gericht) beleid van een organisatie, dienst, instelling, vereniging, voorziening of onderzoekscentrum en de rol van onderwijs- of opleidingskundige daarin opnemen.
5. De student heeft als persoon ook een initiële professionele identiteit ontwikkeld om voor de start van een loopbaan als pedagoog keuzes te kunnen maken, ze te verantwoorden en zijn/haar identiteit verder te ontwikkelen en te vormen in een proces van levenslang en levensbreed leren.

Zie volgtijdelijkheidsvoorwaarden.

Zie onderwijsleeractiviteit.

Handleiding

Je mag dit opleidingsonderdeel enkel opnemen als je nog maximaal 90 studiepunten moet verwerven om het diploma te behalen.

Je moet voldoen aan een volgtijdelijkheidsvoorwaarde om dit opleidingsonderdeel te mogen opnemen. Volgtijdelijkheid kan STRENG of SOEPEL zijn of een GELIJKTIJDIGHEID inhouden. Ook kan een diplomaNIVEAU als voorwaarde gesteld zijn.
Verklaring:
STRENG: Om dit opleidingsonderdeel op te nemen, moet je geslaagd zijn voor of een tolerantie ingezet hebben voor de opleidingsonderdelen waarvoor dit soort voorwaarde geldt.
SOEPEL: Om dit opleidingsonderdeel op te nemen, moet je de opleidingsonderdelen waarvoor dit soort voorwaarde geldt, gevolgd hebben.
GELIJKTIJDIG: Om dit opleidingsonderdeel op te nemen, moet je ook de opleidingsonderdelen waarvoor dit soort voorwaarde geldt, opnemen of al opgenomen hebben.
NIVEAU: Om dit opleidingsonderdeel op te nemen, moet je ten minste deze graad behaald hebben.


(SOEPEL (P0S38A) EN SOEPEL (P0R57A) EN SOEPEL (P0P62A) EN SOEPEL (P0P54A) EN SOEPEL (P0P42A)) EN (NIVEAU (BACHELOR) OF NIVEAU (SCHAKEL) OF NIVEAU (VOORBEREIDING))

Bovenstaande codes van opleidingsonderdelen stemmen overeen met onderstaande omschrijvingen van die opleidingsonderdelen:
P0S38A : Professional Training and Development in Profit and Non-Profit Organisations
P0R57A : Onderwijsvernieuwing en schoolontwikkeling
P0P62A : Didactiek van de lerarenopleiding
P0P54A : Designing Learning Environments
P0P42A : Beleid van onderwijs en permanente vorming

Onderwijsleeractiviteiten

20.0 sp. Praktijk- of onderzoeksstage onderwijs- en opleidingskunde (B-KUL-P0S39a)

20.0 studiepunten Nederlands Werkvorm: Stage 20.0 Beide semestersBeide semesters
POC Master in de Pedagog. Wet. en Master in de Educatieve Studies

We onderscheiden twee soorten participatiestage: de praktijkstage en de onderzoeksstage. Een praktijkstage wordt gelopen in een school, dienst, organisatie, instelling, vereniging, bedrijf, een beleidsinstantie (zowel in binnen- als buitenland) waar de student participeert aan diagnostische, opleidings−, onderwijs−, begeleidings−, onderzoeks− en/of managementtaken. Globaal wordt een indeling gemaakt in vier themagebieden waar de student stage kan lopen: Opleidingskunde en VTO in organisaties; Onderwijsbeleid; Onderwijsbegeleiding; en Ontwerpen van leeromgevingen en curriculumontwikkeling. De onderzoeksstage kan worden uitgevoerd in elk van de onderzoekscentra van de faculteit Psychologie en Pedagogische wetenschappen of in een andere binnen− of buitenlandse wetenschappelijke onderzoeksinstelling. Ook in een praktijkstage kan een onderzoekscomponent vervat zijn als één van de opdrachten, maar de stageorganisatie is geen onderzoeksinstelling en het onderzoek vormt niet de hoofdactiviteit.

De participatiestage is een verplicht opleidingsonderdeel van 20 studiepunten in de master Pedagogische Wetenschappen. De student loopt in het eerste semester van de tweede master (tussen 15 augustus en het begin van de examenperiode van januari) een stage van 16 weken van 5 werkdagen (of 36u) in een organisatie. De klemtoon ligt op het zelfstandig leren realiseren van opleidingskundige en onderwijskundige taken of op onderzoekstaken.
Naast de eigenlijke stageactiviteiten wordt van de studenten verwacht dat ze zich voorbereiden op de stage  (lezen van nota masterstage en de handleiding), dat ze minstens twee functioneringsgesprekken met hun stagementor hebben (en het verslag doorsturen naar de stageverantwoordelijke) en dat ze actief deelnemen aan de stagebijeenkomsten (en zich hier gepast op voorbereiden). Verder is het van belang om tijdens de stage de uitgevoerde stageactiviteiten bij te houden en eerste reflecties te noteren. Dit is belangrijk  met het oog op het uitwerken van het stagerapport dat naast een inventariserend gedeelte een gedeelte omvat waarin de student een specifiek thema diepgaand uitgewerkt (zie handleiding stage voor bijkomende informatie).

Handleiding.

Evaluatieactiviteiten

Evaluatie: Praktijk- of onderzoeksstage onderwijs- en opleidingskunde (B-KUL-P2S39a)

Modaliteit van de evaluatie : Mondeling met schriftelijke voorbereiding
Tijdstip : permanente evaluatie
Soort evaluatie : Verslag, Presentatie

De evaluatie van de stage is de bevoegdheid van de betreffende academische stageverantwoordelijke. Uitgangspunt voor de evaluatie is dat de student in principe aanwezig is geweest op de gevalsstudies/ stagebijeenkomsten en daar een actieve inbreng heeft gehad. Verder dient de student  de verslagen in van de twee functioneringsgesprekken die hij/zij had met de stagementor. De uiteindelijke beoordeling steunt op twee informatiebronnen: (1) een driehoeksgesprek tussen academisch stageverantwoordelijke, stagementor en student aan het einde van de stageperiode, en (2) het stagerapport waarin een overzicht van de activiteiten en −ervaringen zijn weergegeven. Minimaal een week voor het driehoeksgesprek bezorgt de stagementor aan de academisch verantwoordelijke ook een kort verslag met een kwalitatieve beoordeling van de stagiair op de onderstaande criteria. De student zorgt ervoor dat zijn mentor hiervan op de hoogte is.
De volgende criteria vormen de algemene leidraad voor de evaluatie van de stage:

  • Persoonlijke inzet en betrokkenheid
  • Zelfstandigheid en initiatief
  • Systematiek in het organiseren en zorgvuldigheid in het afwerken van taken (incl.voorbereiding en kwaliteit van de uitgevoerde taken)
  • Inzichten in de opdracht, de structuur en de werking van de stageorganisatie
  • Inzicht in de behandelde thema’s, problematiek en doelgroepen.
  • Op basis van inzichten in pedagogische processen adequate interventies stellen
  • Relatievaardigheid en vermogen tot samenwerking (met collega’s, personeel, directie, mentor, teams, ...)
  • Adequate omgang met deelnemers/ cliënten/ leerlingen/ studenten/ kinderen/ werknemers/ onderzoekssubjecten
  • Organisatorische en pedagogische bekwaamheid (planning en programmering; presenteren en communiceren; groepswerk; rapportage en verslaggeving, kritische reflectie)
  • Deskundigheid in het opzetten, uitvoeren, verwerken en rapporteren van onderzoek (in ruime betekenis)
  • Creatieve bijdrage tot werking van de stageorganisatie
  • Gerichtheid op innovatie en verbetering, op eigen professionele ontwikkeling en op levenslang leren.
  • Professionele houding en deontologisch verantwoord handelen.
    Er is maar één examenkans mogelijk (cf. facultair onderwijs− en examenreglement).