Genetica en transgenese in de studie van neurodegeneratie (B-KUL-E01B1A)

3.0 studiepunten Nederlands 9.0 Eerste semesterEerste semester Verdiepend Uitgesloten voor examencontract
POC Geneeskunde

Dit keuzeopleidingsonderdeel hebben we opgevat als een actueel opleidingsonderdeel opgebouwd uit lezingen, seminaries en discussies. Daarin bespreken we de complexiteit en de relaties tussen een actueel medisch en sociaal probleem en het fundamenteel en gericht onderzoek ernaar.

Er zijn geen specifieke begintermen.
De opleidingsonderdelen van de opleiding geneeskunde kunnen enkel gevolgd worden indien men geslaagd is in de toelatingsproef arts – tandarts zoals georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap. Voor meer info: http://www.ond.vlaanderen.be/toelatingsexamen/
Deze keuzes moet je niet aanduiden in je ISP maar dienen via het keuzeprogramma van de Faculteit te gebeuren. Meer info hierover volgt in de eerste week van het academiejaar. De uiteindelijke toewijzing van de opleidingsonderdelen wordt door de Faculteit gedaan en meegedeeld via Toledo. Er is een maximum aantal studenten dat kan deelnemen per opleidingsonderdeel.
Studenten van een andere Faculteit die wensen deel te nemen aan één van onderstaande opleidingsonderdelen dienen een aanvraag in te dienen bij Pascal Ryckaert, fac. Geneeskunde
Enkel wanneer het maximum aantal studenten per opleidingsonderdeel nog niet bereikt is, kunnen studenten toegelaten worden.

In dit opleidingsonderdeel behandelen we theoretische en concrete aspecten, strategische en technische problemen, korte- en langetermijnvisie en -planning. Meer specifiek:
·          bespreken we de genetische bevindingen in neurodegeneratieve aandoeningen, zoals dementia, ziekte van Alzheimer, frontotemporale dementie, vasculaire dementie, enz.
·          bespreken we de implicaties van de genetische aspecten voor het onderzoek naar de pathofysiologie, keuze van benadering en systemen, transgenese en geninactivering, neuronale celbiologie, enz.
·          bestuderen we celbiologische en transgene muizen als experimentele diermodellen: stand van zaken, problemen, mogelijkheden, vooruitzichten voor farmaceutische en andere toepassingen, enz.
Achtergrond:
Veroudering en dementie worden snel één van de belangrijkste medische, ethische en sociale probleem van het nieuwe millennium. Succes van de moderne geneeskunde leidt tot toenemende levensverwachting en dit 'bedreigt' ten minste 25% van alle ouderen direct. De ziekte van Alzheimer of Alzheimers Dementie (AD) is verantwoordelijk voor de meerderheid van alle dementiegevallen en zowat alle gevallen in de oudste leeftijdsgroepen (ouder dan 80 jaar). Vasculaire dementie (VaD) en frontotemporale dementie (FTD) zijn relatief belangrijker in de jongere leeftijdsgroepen (ouder dan 65 jaar). Dementie of 'ontmenselijken' is uiteraard een probleem voor het individu maar het verstoort nog meer alle normale familiale en sociale relaties.
Klinisch stelt dementie een belangrijk diagnostisch en therapeutisch probleem: objectieve diagnose is niet mogelijk in een vroeg stadium en dit hindert op zich ook de gerichte ontwikkeling van specifieke geneesmiddelen. Klinische diagnose is onbetrouwbaar in ongeveer 60% van de gevallen, met vooral AD en VaD moeilijk te differentiëren. Definitieve diagnose wordt post mortem gesteld door pathologisch onderzoek van de hersenen na zilverkleuring (essentieel zoals door A. Alzheimer in 1907). Onnodig te zeggen dat 'genezing' niet mogelijk is, terwijl symptomatische behandelingen niet of slechts kortstondig effectief zijn. Zeer belangrijk is dat, menselijk gesproken, het stabiliseren van een gevorderd probleem van feilend geheugen en leervermogen, eigenlijk een 'stadium te laat' is. Vandaar dat vroege, differentiële diagnose dringend nodig is, ook en vooral om rationele ontwikkeling en testen van nieuwe producten toe te laten.
Specifieke diagnose zal rekening moeten houden met de eigenlijke oorzaken, zoals de combinatie van organische en moleculaire defecten en veranderingen bij verouderen die leiden tot neurodegeneratie. Die laatste term slaat op het abnormaal verlies van functionele synapsen, circuits en neuronen. Verschillende hersengebieden en structuren worden door elk type dementie getroffen. Zo treft AD vooral de cortex en hippocampus, terwijl de naam 'fronto-temporale dementie' duidelijk is. VaD heeft dan weer een impact op de vasculaire structuren en de omliggende cellen die de bloedhersenbarrière vormen. Deze regionale voorkeur compliceert het begrijpen van neurodegeneratie als een enkelvoudig proces, maar verschillen in mechanismen moeten in verband staan met differentiële genexpressie, een analyseterrein en -probleem op zich voor de moderne microarraytechniek.
Genetische analyse heeft fundamenteel bijgedragen tot het ontwarren van de ethiologie van de zeldzame vroege familiale vormen van AD en FTD door het identificeren van mutante genen, zoals amyloid precursor proteïn, presenilinen, en tau. Functioneel veroorzaken deze mutaties enerzijds een opstapeling van amyloiedepeptiden als extracellulaire amyloiedeplakken, anderzijds de hyperfosforylatie van het proteïne tau. Dit wordt daardoor neergezet als intracellulaire neurofibrillaire filamenten en kluwens. Voor AD zijn de plakken en kluwens diagnostisch (post mortem) terwijl in FTD geen amyloiedeplakken aanwezig zijn. De gedefinieerde genetische defecten worden met succes experimenteel benaderd in transgene muismodellen, ook in onze onderzoeksgroep. Dat is nog niet mogelijk voor VaD omdat er nog geen oorzakelijke genetische mutanten gekend zijn.
De neuropathologie in AD gaat echter verder dan amyloiedeplakken en neurofibrillaire kluwens. In 30% van de AD gevallen is een cerebrovasculaire pathologie evident, met in de meeste gevallen ook cerebrale amyloiedeafzettingen, angiopathie, microvasculaire degeneratie en laesies in de periventriculaire witte stof. Daartegenover is het bijzonder intrigerend dat ongeveer een derde van VaD patiënten ook de typische AD pathologie vertoont bij autopsie. VaD is de tweede oorzaak van cognitieve disfunctie en een duidelijke cerebrovasculaire ziekte. Zijn detectie en preventie zullen ook AD ten goede komen. Veroudering is nog altijd het grootste risico voor dementie, maar ook vasculaire factoren, zoals hypertensie, hoge cholesterolspiegels, vasculair lijden, eventueel diabetes mellitus en roken zijn belangrijke risicofactoren voor AD.
Het ApoE4-allel is nog steeds onbetwist geassocieerd met de sporadische, late vormen van AD, aangetoond door tientallen epidemiologische studies. Het ApoE4-allel is echter geen directe oorzaak, maar ApoE4-dragers hebben een 5 tot 10-voudig hoger risico op sporadisch AD en dit minstens een decade vroeger dan ApoE3-dragers. ApoE4 is een puntmutant (C112R) van ApoE3, de meest frequente isovorm (respectievelijk 15 and 75% van de allelfrequenties), maar experimentele structuur-functieanalyse heeft nog geen specifiek ApoE4-defect aangetoond. Het meest fundamentele probleem in AD is dus de mechanismen leren kennen en begrijpen waardoor het ApoE4-allel een risico vormt, bovenop of in combinatie met veroudering. Het is duidelijk dat we het effect van het ApoE4-allel kunnen verklaren als het met andere genen 'in concert' samenwerkt. Deze andere genen kunnen we opsporen door 'brute kracht', vollediggenoombenadering of door gericht zoeken.
Genetische gegevens voor de sporadische vorm van AD zijn dispers en verwarrend, met als enige uitzondering het ApoE4-effect. Een belangrijk genetisch probleem in AD vormt chromosoom 12, dat werd geïdentificeerd in meerdere genoomscans en één of meerdere genen blijkt te bevatten verantwoordelijk voor sporadisch AD. Tot nog toe zijn deze genen niet geïdentificeerd. Enige verwarring rond chromosoom 12 duurt dan ook voort, af te leiden o.a. uit het JAMA-nummer van augustus 1999, waarin 2 publicaties verschenen (back-to-back) die 'No' en 'Yes' antwoorden op de vraag naar een nieuw AD-gen op chromosoom 12.
Experimentele benadering van het CNS en van neurodegeneratie:
Genetische analyse heeft gezorgd voor de belangrijkste impuls voor de identificatie van de moleculaire oorzaken van dementie en heeft daardoor gezorgd voor de essentiële 'instrumenten' (genen) voor experimentele analyse. Vooral de analyse van de mutaties in APP en in PS heeft een dramatische impact gehad op de biochemische en fysiologische studies van de productie van de amyloiedepeptiden. Dit resulteerde o.a. in productie van transgene muizen met expressie van menselijk APP, preseniline, het tauproteïne, ApoE, enz. die als pre-klinische modellen fungeren. Deze muizen vertonen naast de amyloiedepathologie ook en vooral vroege aspecten van verlies van cognitie en geheugen evenals relevante gedragsafwijkingen vergelijkbaar met deze van AD patiënten. Experimenteel is onderzoek naar het indirecte 'ApoE4-isoformeffectonderzoek' minder vanzelfsprekend. Daardoor zijn verschillende, parallelle benaderingen nodig, met naast het ontwikkelen van informatieve transgene muizen, ook genetische analyse van de ApoE-locus (in mens en muis) en genetische analyse van ApoE-receptoren die actief zijn in het centraal zenuwstelsel.

Artikels en literatuur
Presentatiesoftware
Toledo

Je moet voldoen aan een volgtijdelijkheidsvoorwaarde om dit opleidingsonderdeel te mogen opnemen. Volgtijdelijkheid kan STRENG of SOEPEL zijn of een GELIJKTIJDIGHEID inhouden. Ook kan een diplomaNIVEAU als voorwaarde gesteld zijn.
Verklaring:
STRENG: Om dit opleidingsonderdeel op te nemen, moet je geslaagd zijn voor of een tolerantie ingezet hebben voor de opleidingsonderdelen waarvoor dit soort voorwaarde geldt.
SOEPEL: Om dit opleidingsonderdeel op te nemen, moet je de opleidingsonderdelen waarvoor dit soort voorwaarde geldt, gevolgd hebben.
GELIJKTIJDIG: Om dit opleidingsonderdeel op te nemen, moet je ook de opleidingsonderdelen waarvoor dit soort voorwaarde geldt, opnemen of al opgenomen hebben.
NIVEAU: Om dit opleidingsonderdeel op te nemen, moet je ten minste deze graad behaald hebben.


( SOEPEL(E01A7A) OF SOEPEL(U02A4A) ) EN ( GELIJKTIJDIG(E09A1A) OF GELIJKTIJDIG(U04A0A) )

Bovenstaande codes van opleidingsonderdelen stemmen overeen met onderstaande omschrijvingen van die opleidingsonderdelen:
E01A7A : Celbiologie I
U02A4A : Moleculaire biologie
E09A1A : Neurowetenschappen II
U04A0A : Neurowetenschappen II

Onderwijsleeractiviteiten

3.0 sp. Genetica en transgenese in de studie van neurodegeneratie (B-KUL-E01B1a)

3.0 studiepunten Nederlands Werkvorm: College 9.0 Eerste semesterEerste semester
POC Geneeskunde

In dit opleidingsonderdeel behandelen we theoretische en concrete aspecten, strategische en technische problemen, korte- en langetermijnvisie en -planning. Meer specifiek:
·          bespreken we de genetische bevindingen in neurodegeneratieve aandoeningen, zoals dementia, ziekte van Alzheimer, frontotemporale dementie, vasculaire dementie, enz.
·          bespreken we de implicaties van de genetische aspecten voor het onderzoek naar de pathofysiologie, keuze van benadering en systemen, transgenese en geninactivering, neuronale celbiologie, enz.
·          bestuderen we celbiologische en transgene muizen als experimentele diermodellen: stand van zaken, problemen, mogelijkheden, vooruitzichten voor farmaceutische en andere toepassingen, enz.
Achtergrond:
Veroudering en dementie worden snel één van de belangrijkste medische, ethische en sociale probleem van het nieuwe millennium. Succes van de moderne geneeskunde leidt tot toenemende levensverwachting en dit 'bedreigt' ten minste 25% van alle ouderen direct. De ziekte van Alzheimer of Alzheimers Dementie (AD) is verantwoordelijk voor de meerderheid van alle dementiegevallen en zowat alle gevallen in de oudste leeftijdsgroepen (ouder dan 80 jaar). Vasculaire dementie (VaD) en frontotemporale dementie (FTD) zijn relatief belangrijker in de jongere leeftijdsgroepen (ouder dan 65 jaar). Dementie of 'ontmenselijken' is uiteraard een probleem voor het individu maar het verstoort nog meer alle normale familiale en sociale relaties.
Klinisch stelt dementie een belangrijk diagnostisch en therapeutisch probleem: objectieve diagnose is niet mogelijk in een vroeg stadium en dit hindert op zich ook de gerichte ontwikkeling van specifieke geneesmiddelen. Klinische diagnose is onbetrouwbaar in ongeveer 60% van de gevallen, met vooral AD en VaD moeilijk te differentiëren. Definitieve diagnose wordt post mortem gesteld door pathologisch onderzoek van de hersenen na zilverkleuring (essentieel zoals door A. Alzheimer in 1907). Onnodig te zeggen dat 'genezing' niet mogelijk is, terwijl symptomatische behandelingen niet of slechts kortstondig effectief zijn. Zeer belangrijk is dat, menselijk gesproken, het stabiliseren van een gevorderd probleem van feilend geheugen en leervermogen, eigenlijk een 'stadium te laat' is. Vandaar dat vroege, differentiële diagnose dringend nodig is, ook en vooral om rationele ontwikkeling en testen van nieuwe producten toe te laten.
Specifieke diagnose zal rekening moeten houden met de eigenlijke oorzaken, zoals de combinatie van organische en moleculaire defecten en veranderingen bij verouderen die leiden tot neurodegeneratie. Die laatste term slaat op het abnormaal verlies van functionele synapsen, circuits en neuronen. Verschillende hersengebieden en structuren worden door elk type dementie getroffen. Zo treft AD vooral de cortex en hippocampus, terwijl de naam 'fronto-temporale dementie' duidelijk is. VaD heeft dan weer een impact op de vasculaire structuren en de omliggende cellen die de bloedhersenbarrière vormen. Deze regionale voorkeur compliceert het begrijpen van neurodegeneratie als een enkelvoudig proces, maar verschillen in mechanismen moeten in verband staan met differentiële genexpressie, een analyseterrein en -probleem op zich voor de moderne microarraytechniek.
Genetische analyse heeft fundamenteel bijgedragen tot het ontwarren van de ethiologie van de zeldzame vroege familiale vormen van AD en FTD door het identificeren van mutante genen, zoals amyloid precursor proteïn, presenilinen, en tau. Functioneel veroorzaken deze mutaties enerzijds een opstapeling van amyloiedepeptiden als extracellulaire amyloiedeplakken, anderzijds de hyperfosforylatie van het proteïne tau. Dit wordt daardoor neergezet als intracellulaire neurofibrillaire filamenten en kluwens. Voor AD zijn de plakken en kluwens diagnostisch (post mortem) terwijl in FTD geen amyloiedeplakken aanwezig zijn. De gedefinieerde genetische defecten worden met succes experimenteel benaderd in transgene muismodellen, ook in onze onderzoeksgroep. Dat is nog niet mogelijk voor VaD omdat er nog geen oorzakelijke genetische mutanten gekend zijn.
De neuropathologie in AD gaat echter verder dan amyloiedeplakken en neurofibrillaire kluwens. In 30% van de AD gevallen is een cerebrovasculaire pathologie evident, met in de meeste gevallen ook cerebrale amyloiedeafzettingen, angiopathie, microvasculaire degeneratie en laesies in de periventriculaire witte stof. Daartegenover is het bijzonder intrigerend dat ongeveer een derde van VaD patiënten ook de typische AD pathologie vertoont bij autopsie. VaD is de tweede oorzaak van cognitieve disfunctie en een duidelijke cerebrovasculaire ziekte. Zijn detectie en preventie zullen ook AD ten goede komen. Veroudering is nog altijd het grootste risico voor dementie, maar ook vasculaire factoren, zoals hypertensie, hoge cholesterolspiegels, vasculair lijden, eventueel diabetes mellitus en roken zijn belangrijke risicofactoren voor AD.
Het ApoE4-allel is nog steeds onbetwist geassocieerd met de sporadische, late vormen van AD, aangetoond door tientallen epidemiologische studies. Het ApoE4-allel is echter geen directe oorzaak, maar ApoE4-dragers hebben een 5 tot 10-voudig hoger risico op sporadisch AD en dit minstens een decade vroeger dan ApoE3-dragers. ApoE4 is een puntmutant (C112R) van ApoE3, de meest frequente isovorm (respectievelijk 15 and 75% van de allelfrequenties), maar experimentele structuur-functieanalyse heeft nog geen specifiek ApoE4-defect aangetoond. Het meest fundamentele probleem in AD is dus de mechanismen leren kennen en begrijpen waardoor het ApoE4-allel een risico vormt, bovenop of in combinatie met veroudering. Het is duidelijk dat we het effect van het ApoE4-allel kunnen verklaren als het met andere genen 'in concert' samenwerkt. Deze andere genen kunnen we opsporen door 'brute kracht', vollediggenoombenadering of door gericht zoeken.
Genetische gegevens voor de sporadische vorm van AD zijn dispers en verwarrend, met als enige uitzondering het ApoE4-effect. Een belangrijk genetisch probleem in AD vormt chromosoom 12, dat werd geïdentificeerd in meerdere genoomscans en één of meerdere genen blijkt te bevatten verantwoordelijk voor sporadisch AD. Tot nog toe zijn deze genen niet geïdentificeerd. Enige verwarring rond chromosoom 12 duurt dan ook voort, af te leiden o.a. uit het JAMA-nummer van augustus 1999, waarin 2 publicaties verschenen (back-to-back) die 'No' en 'Yes' antwoorden op de vraag naar een nieuw AD-gen op chromosoom 12.
Experimentele benadering van het CNS en van neurodegeneratie:
Genetische analyse heeft gezorgd voor de belangrijkste impuls voor de identificatie van de moleculaire oorzaken van dementie en heeft daardoor gezorgd voor de essentiële ‘instrumenten’ (genen) voor experimentele analyse. Vooral de analyse van de mutaties in APP en in PS heeft een dramatische impact gehad op de biochemische en fysiologische studies van de productie van de amyloiedepeptiden. Dit resulteerde o.a. in productie van transgene muizen met expressie van menselijk APP, preseniline, het tauproteïne, ApoE, enz. die als pre-klinische modellen fungeren. Deze muizen vertonen naast de amyloiedepathologie ook en vooral vroege aspecten van verlies van cognitie en geheugen evenals relevante gedragsafwijkingen vergelijkbaar met deze van AD patiënten. Experimenteel is onderzoek naar het indirecte 'ApoE4-isoformeffectonderzoek’ minder vanzelfsprekend. Daardoor zijn verschillende, parallelle benaderingen nodig, met naast het ontwikkelen van informatieve transgene muizen, ook genetische analyse van de ApoE-locus (in mens en muis) en genetische analyse van ApoE-receptoren die actief zijn in het centraal zenuwstelsel.

Studenten inzicht bijbrengen in het fundamenteel onderzoek naar een actueel problee, c.q. de ziekte van Alzheimer, als voorbeeld van een complexe aandoening die multi-disciplinair werd en wordt onderzocht.
Overzicht van gelangrijkste technieken van genetica en transgenese, met zowel de historische achtergrond als de evolutie naar moderne bio-technologie, met huidige stand van pre-klinische experimentele transgene muis- modellen en klinische problemen van diagnostiek en therapie in de ziekte van Alzheimer.           

Je luistert actief en stelt vragen.

Ter illustratie:
       DE STROOPER B.*, SAFTIG P.*, CRAESSAERTS K., VANDERSTICHELE H., GUHDE G., ANNAERT W., VON FIGURA K., VAN LEUVEN F. Deficiency of presenilin-1 inhibits the normal cleavage of amyloid precursor protein. Nature (1998) 391: 387-390
        
       MOECHARS D., DEWACHTER I., LORENT K., REVERSE D., BAEKELANDT V., NALDU A., TESSEUR I., SPITTAELS K., VAN DEN HAUTE C., CHECKLER F., GODAUX E., CORDELL B., and VAN LEUVEN F. Early phenotypic changes in transgenic mice that overexpress different mutants of Amyloid Precursor Protein in brain. J Biol Chem (1999) 274: 6483-6492
        
       SPITTAELS K.*, VAN DEN HAUTE C.*, VAN DORPE J.*, BRUYNSEELS K., VANDEZANDE K., LAENEN I., GEERTS H., MERCKEN M., SCIOT R., VAN LOMMEL A., LOOS R., VAN LEUVEN F. Prominent axonopathy in the brain and spinal cord of transgenic mice overexpressing four-repeat human tau protein. Am J Pathol (1999) 155:2153-2165
        
       SPITTAELS K.*, VAN DEN HAUTE C.*, VAN DORPE J.*, GEERTS H., MERCKEN M., BRUYNSEELS K., LASRADO R., VANDEZANDE K., LAENEN I., BOON T., VAN LINT J., VANDENHEEDE J., MOECHARS D., LOOS R. and VAN LEUVEN F. Glycogen synthase kinase-3b phosphorylates protein tau and rescues the axonopathy in the CNS of human four-repeat tau transgenic mice. J Biol Chem (2000) 275: 41640- 41349
        
       TESSEUR I., VAN DORPE J., SPITTAELS K., VAN DEN HAUTE C., MOECHARS D. and VAN LEUVEN F. Expression of Human Apolipoprotein E4 in neurons causes hyperphosphorylation of Protein tau in the brains of transgenic mice. Am. J. Pathol. (2000) 156: 951-964
        
       TESSEUR I., VAN DORPE J., BRUYNSEELS K., SCIOT R., VAN LOMMEL A., VAN LEUVEN F. Prominent axonopathy and disruption of axonal transport in transgenic mice expressing human Apolipoprotein E4 in neurons of brain and spinal cord Am. J. Pathol. (2000) 157: 1495 – 1510
        
       DEWACHTER I., VAN DORPE J., SMEIJERS L., GILIS M., KUIPERI C., LAENEN I., CALUWAERTS N., MOECHARS D., CHECLER F., VANDERSTICHELE H. and VAN LEUVEN F. Aging increased amyloid peptide and caused amyloid plaques in brain of old APP/V717I transgenic mice by a different mechanism than mutant presenilin1. J. Neurosc. (2000) 20: 6452-6458
        
       VAN DORPE J., SMEIJERS L., DEWACHTER I., NUYENS D., SPITTAELS K., VAN DEN HAUTE C., MERCKEN M., MOECHARS D., LAENEN I., KUIPERI C., BRUYNSEELS K., TESSEUR I., LOOS R., VANDERSTICHELE H., CHECLER F., SCIOT R. and VAN LEUVEN F. Prominent cerebral amyloid angiopathy in transgenic mice overexpressing the London mutant of human APP in neurons. Am. J. Pathol. (2000) 157: 1283 - 1298
        
       SCHNEIDER, I.,DEWACHTER, I., REVERSÉ, D., RIS, L., CALUWAERTS, N., KUIPÉRI, C., GILIS, M., GEERTS, H., KRETZSCHMAR, H., GODAUX, E., MOECHARS, D., VAN LEUVEN, F., HERMS, J. Mutant Presenilins disturb neuronal calcium homeostasis in the brain of transgenic mice, decreasing the threshold for excitotoxicity and facilitating long-term potentiation. J. Biol. Chem. (2001) 276: 11539-11544
        
       DEWACHTER , I., REVERSE, D., CALUWAERTS, N., RIS, L., KUIPERI, C., VAN DEN HAUTE, C., SPITTAELS, K., UMANS, L., SERNEELS, L., THIRY, E., MOECHARS, D., MERCKEN, M., GODAUX, E. and VAN LEUVEN, F. Neuronal deficiency of presenilin 1 inhibits amyloid plaque formation and corrects hippocampal long-term potentiation but not a cognitive defect of amyloid precursor protein [V717I] transgenic mice. J Neurosci, 22: 3445-3453, 2002
        
       en nog vele andere ...

Evaluatieactiviteiten

Evaluatie : Genetica en transgenese in de studie van neurodegeneratie (B-KUL-E21B1a)

Modaliteit van de evaluatie : Mondeling met schriftelijke voorbereiding
Soort evaluatie : Gesloten boek, Presentatie

Je hebt de keuze tussen een klassiek examen (mondeling, gesloten boek met schriftelijke voorbereiding) of een mondelinge presentatie. Dit laatste houdt in dat je 1 of 2 artikels zelf leest, kritisch analyseert en voor de groep medestudenten naar voor brengt.
De evaluatie van de keuzevakken wordt gepland voor het einde van het semester waarin het keuzevak gepland is en buiten de gewone examenperiode.