Farmacologie (B-KUL-E00L5A)
Doelstellingen
Tijdens dit opleidingsonderdeel krijg je inzicht in de basismechanismen van farmacokinetiek en farmacodynamiek. Je leert het werkingsmechanisme begrijpen van de verschillende klassen geneesmiddelen en kunt het gebruik van het geneesmiddel plaatsen binnen de pathofysiologie van de aandoening. Je kunt de al dan niet gewenste effecten van geneesmiddelen interpreteren en herkennen, ook als deze zich in andere orgaansystemen voordoen dan deze waarvoor het geneesmiddel bedoeld is. Je verwerft bijgevolg een globaal inzicht in de farmacologie. Verder leer je de contra-indicaties die relevant zijn voor de productkeuze in een klinische context. Je bent in staat om een gemotiveerde keuze voor een bepaald geneesmiddel te maken en je kunt inschatten welke evidentie er bestaat voor het gebruik van een bepaald geneesmiddel in een bepaalde indicatie op basis van evaluatie van studies in de literatuur. Je kan de risico/baten verhouding van een geneesmiddel in een bepaalde pathologie bij een patiënt inschatten. Je kan begrippen zoals farmacogenetica en farmaco-economie interpreteren. Ten slotte begrijp je het proces van ontwikkeling, evaluatie, registratie en terugbetaling van geneesmiddelen. Je kunt een voorschrift opstellen en klinische farmacologische studies en marketing op een kritische manier evalueren.
Begintermen
Je beschikt over de noodzakelijke voorkennis op het vlak van de celbiologie, biochemie, fysiologie, pathofysiologie, pathologie en anatomie. Je kent de klinische symptomatologie van de grote klinische syndromen. In de prestage huisartsgeneeskunde (3de bachelor) heb je kennis gemaakt met het voorschrijfgedrag van artsen. Je bent in staat een wetenschappelijke studie te beoordelen op basis van de aangebrachte evidentie.
De opleidingsonderdelen van de opleiding Geneeskunde kunnen enkel gevolgd worden indien men geslaagd is in de toelatingsproef zoals georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap. Voor meer info : http://www.ond.vlaanderen.be/toelatingsexamen/
Soepele volgtijdelijkheid:
Om dit opleidingsonderdeel op te nemen, moet je volgende opleidingsonderdelen gevolgd hebben:
E07A5A Algemene Pathologie
E03A7A Bloed en Bloedsomloop
E04A0A Spijsvertering en Voeding
E04A2A Ademhaling en Nier
E01A7a Celbiologie I
E02A2A Celbiologie II
E04A6A Celfysiologie
E08A8A Neurowetenschappen, deel 1
E09A1A Neurowetenschappen, deel 2
Inhoud
Coördinator: Jan de Hoon
Kernteam: M.-R. Casteels, J. de Hoon, K. De Nys
Gastdocent: J. Menten
Deel 1: Inleiding tot de farmacologie en begrippen van farmacokinetiek
Docent: J. de Hoon
1. Transport van farmaca over biologische membranen
2. Verdeling of distributie
3. Eliminatie
4. Farmacokinetiek
5. Farmacodynamiek
6. Toedieningsvormen
7. Farmacotherapie bij risicopopulaties
8. Acute intoxicaties
APPENDIX A
Ontdekking, ontwikkeling en evaluatie van nieuwe geneesmiddelen
APPENDIX B
Naamgeving van geneesmiddelen
APPENDIX C (te kennen leerstof)
Het informeren van de patiënt
APPENDIX D (te kennen leerstof)
Het medisch voorschrift (MC)
APPENDIX E (te kennen leerstof)
Regulatoire aspecten (MC)
Deel 2: Transmissiesystemen in het perifeer en autonoom zenuwstelsel
Docent: M. Casteels
1. Cholinerge transmissiesystemen
Toepassing 1: Glaucoom
2. Adrenerge transmissiesystemen
Toepassing 2: Geneesmiddelen gebruikt bij obesitas en centrale stimulantia
3. Dopaminerge transmissiesystemen
4. Serotoninerge transmissiesystemen
5. Purinerge transmissiesystemen
Deel 3: Geneesmiddelen die inwerken op het centraal zenuwstelsel
Docenten: J. de Hoon (JdH), K. De Nys (KDN)
1. Farmacotherapie van affectieve stoornissen (KDN)
2. Farmacotherapie van psychose en manie: antipsychotica en lithium (KDN)
3. Farmacotherapie van epilepsie (JdH)
4. Farmacotherapie van de ziekte van Parkinson en parkinsonisme (KDN)
5. Farmacotherapie van andere bewegingsstoornissen (KDN)
6. Skeletspierrelaxantia (KDN)
7. Farmacotherapie van de ziekte van Alzheimer (KDN)
8. Farmacotherapie van pijn (JdH)
9. Hypnotica – Anxiolytica (KDN)
Deel 4: Geneesmiddelen in verband met het cardiovasculair stelsel
Docent: M. Casteels
1. Diuretica
2. Farmacotherapie van hypertensie
3. Farmacotherapie van hartfalen
4. Farmacotherapie van angor
5. Farmacotherapie van hyperlipidemie (KDN)
6. Geneesmiddelen in verband met bloedstolling (KDN)
7. Farmacotherapie van voorkamerfibrillatie
Deel 5: Geneesmiddelen in verband met lokale regulatiesystemen
Docenten: J. de Hoon (JdH), J. Menten (JM), K. De Nys (KDN)
1. Farmacotherapie van inflammatie (JdH)
2. Farmacotherapie van allergische aandoeningen type I (JdH)
3. Farmacotherapie van diabetes mellitus (JdH)
4. Farmacotherapie en preventie van osteoporose (KDN)
5. Farmacologische aspecten in de palliatieve en terminale zorg (JM)
6. Farmacotherapie in de oncologie (KDN)
7. Farmacotherapie van het gastro-intestinaal stelsel (JdH)
Addendum 1: Antibiotica
Integratie van klinisch gebruik, toedieningsweg, farmacokinetische eigenschappen, nevenwerkingen en contra-indicaties op basis van de cursus microbiologie en infectieziekten. Dit gebeurt aan de hand van een aantal voorbeelden (MC)
Addendum 2: Het farmacotherapeutisch denkproces: casus-besprekingen met integratie van farmacologische kennis in farmacotherapie (JdH en MC)
Aard van het studiemateriaal
Artikels en literatuur
Cursustekst
Toledo
Volgtijdelijkheidsvoorwaarden
Je moet voldoen aan een volgtijdelijkheidsvoorwaarde om dit opleidingsonderdeel te mogen opnemen. Volgtijdelijkheid kan STRENG of SOEPEL zijn of een GELIJKTIJDIGHEID inhouden. Ook kan een diplomaNIVEAU als voorwaarde gesteld zijn.
Verklaring:
STRENG: Om dit opleidingsonderdeel op te nemen, moet je geslaagd zijn voor of een tolerantie ingezet hebben voor de opleidingsonderdelen waarvoor dit soort voorwaarde geldt.
SOEPEL: Om dit opleidingsonderdeel op te nemen, moet je de opleidingsonderdelen waarvoor dit soort voorwaarde geldt, gevolgd hebben.
GELIJKTIJDIG: Om dit opleidingsonderdeel op te nemen, moet je ook de opleidingsonderdelen waarvoor dit soort voorwaarde geldt, opnemen of al opgenomen hebben.
NIVEAU: Om dit opleidingsonderdeel op te nemen, moet je ten minste deze graad behaald hebben.
GELIJKTIJDIG(E02L0A) EN GELIJKTIJDIG(E02L2A)
Bovenstaande codes van opleidingsonderdelen stemmen overeen met onderstaande omschrijvingen van die opleidingsonderdelen:
E02L0A : Oogheelkunde
E02L2A : Psychiatrie
Dit opleidingsonderdeel is een voorwaarde voor het opnemen van volgende opleidingsonderdelen:
E02L5A : Dermatologie, inclusief pathologie
E02L6A : Neurologie en neurochirurgie
E02L8A : Bloedsomloop
E02L9A : Ademhaling
E03L0A : Gynaecologie / verloskunde
E03L1A : Kindergeneeskunde
E00N2A : Stage Huisartsgeneeskunde
E01N1A : Stage Psychiatrie / neurologie
E00N5B : Stage Inwendige geneeskunde
E00N8B : Stage Kindergeneeskunde
E01N5B : Stage Gynaecologie / verloskunde
E09M9B : Stage Heelkunde
Onderwijsleeractiviteiten
8.0 sp. Farmacologie (B-KUL-E00L5a)
Inhoud
Er wordt van je verwacht dat je tijdens de lessen meedenkt, actieve inbreng hebt bij de in de les gestelde vragen en kritisch nadenkt. Verder moet je de essentie uit review artikels extraheren en interpreteren.
Doelstellingen
Tijdens dit opleidingsonderdeel krijg je inzicht in de basismechanismen van farmacokinetiek en farmacodynamiek. Je leert het werkingsmechanisme begrijpen van de verschillende klassen geneesmiddelen en kunt het gebruik van het geneesmiddel plaatsen binnen de pathofysiologie van de aandoening. Je kunt al dan niet gewenste effecten van geneesmiddelen interpreteren en herkennen, ook als deze zich in andere orgaansystemen voordoen dan deze waarvoor het geneesmiddel bedoeld is. Je verwerft bijgevolg een globaal inzicht in de farmacologie. Verder leer je de nevenwerkingen kennen en begrijpen en de contra-indicaties die relevant zijn voor de productkeuze in een klinische context. Je bent in staat om een gemotiveerde keuze voor een bepaald geneesmiddel te maken en je kunt inschatten welke evidentie er bestaat voor het gebruik van een bepaald geneesmiddel in een bepaalde indicatie op basis van evaluatie van studies in de literatuur. Je kan de benefit/risk verhouding van een bepaald geneesmiddel in een bepaalde pathologie bij een bepaalde patiënt inschatten. Je kan begrippen zoals farmacogenetica en farmaco-economie interpreteren. Ten slotte begrijp je het proces van ontwikkeling, evaluatie, registratie en terugbetaling van geneesmiddelen. Je kunt een voorschrift opstellen en klinische farmacologische studies en marketing op een kritische manier evalueren.
Beschrijving leeractiviteit
Studiemateriaal
Evaluatieactiviteiten
Evaluatie : Farmacologie (B-KUL-E20L5a)
Toelichting
Mondeling examen met schriftelijke voorbereiding.
Elke student krijgt vier vragen, waarvan:
Eén open vraag
Eén casus m.b.t. medicatiegebruik
Twee vragen bestaande uit verschillende onderdelen/topics die de student moet situeren, toelichten, verantwoorden
De student legt bij één van de docenten (JdH, MC of KDN) het volledige pakket farmacologie af. Voor de schriftelijke voorbereiding krijgt de student minimum 60 minuten. Nadien biedt hij/zij zich in een volgorde naar keuze aan voor het mondelinge examen bij de hem/haar toegewezen examinator. Alle gebruikte bladen (inclusief kladbladen) worden ingeleverd bij de examinator of de toezichthouder.
Er wordt één globaal cijfer gegeven voor het examen.
Voorbeeldvragen:
1. Anti-epileptica: Geef een schematisch overzicht van de mechanismen die leiden tot verhoging van de GABAerge neurotransmissie en bijgevolg resulteren in een anti-epileptisch effect.
2. Geef uw mening bij volgende beweringen:.
a) Ipratropiumbromide wordt na inhalatie in belangrijke mate via de longen geabsorbeerd en geeft zo aanleiding tot tachycardie als bijwerking.
b) Het gebruik van NSAIDs tijdens het derde trimester van de zwangerschap heeft als mogelijke gevolgen het sneller inzetten van de arbeid en het vroegtijdig sluiten van de ductus Botalli.
c) In aanwezigheid van een vol agonist (full agonist) gedraagt een partieel agonist zich als antagonist.
d) Sedatie als gevolg van de inname van lorazepam is een voorbeeld van een type A bijwerking.
e) Anticoagulantia en anti-aggregantia mogen nooit samen gebruikt worden wegens gevaar op bloedingen
3. Bespreek deze samenvatting van een artikel (Lancet 1997, 349:326)
Situeer de vermelde begrippen en/of farmaca.
Een 74-jarige vrouw wordt op spoedgevallen binnen gebracht. Diagnose: een histologisch bewezen, chronisch symptomatisch duodenaal ulcus, positief voor Helicobacter pylori.
Gedurende 7 jaar werd zij behandeld met disopyramide (200 mg 2 x p.d.) voor een tachycardie-bradycardie syndroom. In die periode toont het electrocardiogram dat het QT-interval (Qtc) nooit de bovenste limiet van de normale range overschreed. Nierfunctie is normaal. Behandeling voor H. pylori infectie wordt aangevat met omeprazole (20 mg 2 x p.d.), clarithromycine (250 mg 2 x p.d.) en metronidazole (400 mg 2 x p.d.). Na 6 dagen behandeling zonder noemenswaardige problemen stort de patiënte plotseling in mekaar. Ventrikelfibrillatie wordt vastgesteld. Na succesvolle reanimatie toont het electrocardiogram een duidelijke Qtc-verlenging. Twee dagen na de ventrikelfibrillatie wordt de patiënt uit de intensieve eenheid ontslagen en 20 dagen later verlaat zij het hospitaal in goede klinische conditie.
4. Geef kort toelichting bij het gebruik van de volgende combinaties:
a) vitamine K antagonisten en acetylsalicylzuur
b) lithium en thiaziden
c) paracetamol en ibuprofen
d) imipramine en methylfenidaat
e) thiaziden en furosemide
