2010-2011 | ||||
| Facultaire informatie | ||||
| Doctoraatsopleiding in de Godgeleerdheid | ||||
Doctoraatsopleiding in de Godgeleerdheid (voltijds/deeltijds)
|
||||
Algemene informatie | |
De organisatie van de doctoraatsopleiding wordt gecoördineerd door de facultaire doctoraatscommissie. Een afzonderlijke brochure met het Bijzonder reglement voor het doctoraatsexamen met proefschrift is beschikbaar op het studentensecretariaat en op http://www.theo.kuleuven.be/nl/onderwijs/doctoraat.htm. Studenten die het doctoraatsprogramma in 2007-2008 starten, dienen de richtlijnen van het nieuwe doctoraatsprogramma te volgen. Studenten die vóór 24 september 2007 het doctoraatsprogramma startten, hebben de keuze: ofwel de nieuwe richtlijnen volgen, ofwel in het vorige systeem hun doctoraatsopleiding voltooien. NIEUW REGLEMENT (geldig vanaf 2007-2008)(zie verder onderaan voor OUD REGLEMENT) Deel I Algemene bepalingen wat betreft het doctoraatsprogramma als deel van de Graduate School of Theology 1. Predoctoraal programma Afhankelijk van de reeds behaalde academische graden en de onderzoekscompetenties kan een predoctoraal jaar aangewezen zijn. In dit geval moeten de kandidaten zich officieel laten registreren als "predoctorale student". Zowel internationale studenten als Belgische afgestudeerden van een hogeschool van het lange type, die een doctoraatsopleiding in de Godgeleerdheid/Theology willen starten, moeten eerst een predoctorale test afleggen. Het "vijfde jaar" (Master in de gespecialiseerde studies in de godgeleerdheid en de godsdienstwetenschappen/Master of Advanced Studies in Theology and Religion) wordt beschouwd als een predoctoraal jaar. De examens voor dit programma en de evaluatie van de onderzoeksscriptie worden beschouwd als een predoctorale toets. Voor internationale kandidaat-doctoraatsstudenten, die hun voorgaande studies in EEA-landen hebben voltooid, duurt de predoctorale fase maximum een jaar. Voor internationale kandidaat-doctoraatsstudenten die hun voorgaande studies in een niet-EEA land hebben voltooid, duurt de predoctorale fase maximum twee jaar. Studenten die hun masterdiploma aan de Faculteit Godgeleerdheid van KULeuven hebben behaald, krijgen onmiddellijk toegang tot het predoctoraal ("vijfde") jaar. Studenten zonder masterdiploma dienen eerst een initieel masterprogramma ("vierde" jaar) te volgen, alvorens zij zich als predoctorale student mogen laten inschrijven. In de predoctorale periode wordt de academische competentie en de onderzoeksmaturiteit van de kandidaten getest. Tijdens deze periode bereiden studenten zich voor op een doctoraatsproject. De facultaire doctoraatscommissie beslist, in samenspraak met de promotor, of de kandidaat geschikt is om het doctoraatsprogramma al of niet aan te vatten. De predoctorale periode is gecertificeerd. 2. Doctoraatsprogramma Artikel 1. Toegang tot de doctoraatsopleiding A. Tot de doctoraatsopleiding in de Godgeleerdheid/Theology, zoals vastgelegd in deel II van dit reglement, heeft toegang de bezitter van het diploma van Master in de gespecialiseerde (studies in de) godgeleerdheid en de godsdienstwetenschappen/Master of Advanced Studies in Theology and Religion dat door de Faculteit is uitgereikt. De kandidaten zijn verplicht een beknopte omschrijving van hun doctoraatsproject - getekend door de promotor - te bezorgen aan het faculteitssecretariaat, en dit vóór 25 mei (22 augustus) van het jaar waarin zij toegelaten willen worden tot het doctoraatsprogramma. Tijdens de eerste twee weken van juni/september zullen de leden van het vastbenoemd academisch personeel van de onderzoekseenheden evalueren of de voorgestelde projecten passen in het onderzoeksprofiel van de onderzoekseenheid. Speciale aandacht dient besteed aan de bekwaamheid van de doctorandus/a om de primaire literatuur die nodig is voor zijn/haar onderzoek, in de originele taal te lezen. De coördinator stuurt het verslag, dat opgesteld is volgens artikel 9.2 van het doctoraatsreglement, met de bevindingen van de onderzoekseenheid door naar de facultaire doctoraatscommissie. De doctoraatscommissie bekijkt deze bevindingen, en beslist of de ingediende doctoraatsprojecten beantwoorden aan de vereisten. De secretaris van de doctoraatscommissie bewaart een kopie van het voorgestelde project - dat getekend is door de coördinator van de onderzoekseenheid, de promotor (en eventueel copromotor) en de kandidaat - in het dossier van de kandidaat. De commissie onderzoekt tevens of de kandidaten voldoen aan de twee volgende voorwaarden: 1.Zij hebben de graad van Master in de gespecialiseerde (studies in de) godgeleerdheid en de godsdienstwetenschappen/Master of Advanced Studies in Theology and Religion ten minste cum laude behaald. 2. Het niveau van de onderzoeksscriptie, of een daarmee gelijkgesteld werkstuk (zie ook art. 1 punt 3), voorgelegd voor he t licentiaatsexamen bedraagt 75%. B. Personen die een tweede cyclus-diploma in de godgeleerdheid hebben verworven aan een andere Belgische of buitenlandse universiteit kunnen onder dezelfde voorwaarden als hierboven onder A. genoemd toegelaten worden tot de doctoraatsopleiding. Het toelatingsonderzoek gebeurt door de facultaire Doctoraatscommissie, in haar samenstelling zoals bepaald in artikel 9.2 van dit reglement. De commissie onderzoekt de inhoud van de verschillende opleidingsonderdelen van het tweede cyclus-programma dat de aanvragers gevolgd hebben. Indien blijkt dat dit programma niet gelijkwaardig is met dat voor de academische graad van Master in de gespecialiseerde (studies in de) godgeleerdheid en de godsdienstwetenschappen/Master of Advanced Studies in Theology and Religion door de Faculteit uitgereikt, wordt geen rechtstreekse toegang verleend tot de doctoraatsopleiding. De commissie geeft het dossier vervolgens door aan het facultaire Admissions Committee. C. Personen die eerder niet werden toegelaten maar toch de graad van Master in de gespecialiseerde (studies in de) godgeleerdheid en de godsdienstwetenschappen/Master of Advanced Studies in Theology and Religion ten minste cum laude hebben behaald, kunnen ten vroegste drie jaar later een nieuwe aanvraag tot toelating indienen, indien hij/zij twee artikels gepubliceerd heeft in een IT-tijdschrift, waarvan minstens één in een IT1- of IT2-tijdschrift (ranking van de Faculteit) of een monografie, aanvaard door een leescomité, kan voorleggen. Artikel 2. Doctoraatsopleiding Personen die toegelaten zijn tot de doctoraatsopleiding moeten zich, zonder uitzondering, jaarlijks inschrijven voor de doctoraatsopleiding door de Faculteit ingericht. De vereisten voor deze opleiding zijn vastgelegd in de bepalingen voor de doctoraatsopleiding die in deel II van dit reglement zijn opgenomen. Studenten die toeglaten zijn tot het doctoraatsprogramma, worden verwacht hun proefschrift binnen de vier jaar in te dienen. Artikel 3. Lidmaatschap van een onderzoekseenheid 1. Personen die toegelaten zijn tot de doctoraatsopleiding worden volwaardig lid van de onderzoekseenheid waar hun onderzoeksproject bij aansluit (Bijbelwetenschap, Systematische theologie, Theologische ethiek, Geschiedenis van kerk en theologie, Pastoraaltheologie of het Interdisciplinair Centrum Wereldgodsdiensten, Interreligieuze dialoog en Religiestudie). 2. Als lid van een onderzoekseenheid nemen de kandidaten voor het doctoraat deel aan de vergaderingen waarvoor zij uitgenodigd zijn. Elke kandidaat geeft in de loop van de opleiding ten minste tweemaal een voorstelling van het eigen doctoraatsonderzoek onder de vorm van een lezing gehouden voor de leden en de genodigden van de onderzoekseenheid. Artikel 4. Begeleiding van het doctoraatsonderzoek 1. De kandidaat voor het doctoraat bereidt het proefschrift voor onder de leiding van een of meer promotoren en, indien noodzakelijk, een of meer co-promotoren. Als "eerste promotor" wordt een lid van het zelfstandig academisch personeel aangezocht dat tot een van de onderzoekseenheden van de Faculteit Godgeleerdheid behoort. Leden van het zelfstandig academisch personeel van de K.U.Leuven met onderwijsopdracht in de Faculteit kunnen promotor zijn van proefschriften in de Godgeleerdheid. Op advies van de onderzoekseenheid kan het Faculteitsbestuur leden van het zelfstandig of bijzonder academisch personeel van de K.U.Leuven zonder onderwijsopdracht in de Faculteit, leden van het academisch of wetenschappelijk personeel van andere Belgische of van buitenlandse universiteiten en hogescholen waarmee de K.U.Leuven terzake een akkoord heeft, aanstellen als promotor van een proefschrift. In deze gevallen treedt een lid van het zelfstandig academisch personeel van de betrokken onderzoekseenheid als co-promotor van het desbetreffende doctoraatsonderzoek op. Op vraag van de promotor en met het advies van de onderzoekseenheid kan het Faculteitsbestuur personen die tot een van de in het voorgaande lid genoemde geledingen behoren als co-promotor aanstellen. 2. "De (eerste) promotor speelt een centrale rol bij de opleiding van de doctorandus/a. De promotor is verantwoordelijk voor het materieel en intellectueel klimaat waarbinnen de doctorandus zijn/haar onderzoek uitbouwt. Hij/zij heeft een stimulerende, coördinerende en evaluerende rol voor de ganse duur van het doctoraatsproces, en heeft bij de eindevaluatie van het doctoraat een zwaarwegende stem" (uit het Profiel van de goede promotor; http://www.kuleuven.ac.be/doctoreren/profiel). 3. De Faculteitsraad heeft een numerus clausus vastgesteld voor het aantal actieve doctoraatsprojecten dat een promotor tegelijkertijd mag begeleiden. Dit aantal mag in de regel niet hoger zijn dan zes. Een promotor die meer dan zes proefschriften gelijktijdig wenst te begeleiden, dient een verzoek in bij de onderzoekseenheid, die een advies formuleert voor het Faculteitsbestuur. 4. De kandidaten voor het doctoraat bespreken tenminste tweemaal per semester hun onderzoekswerk met de promotor(s) (c.q. co-promotor(s)). Voor 31 mei van elk jaar bezorgen zij aan de voorzitter van de facultaire Doctoraatscommissie een vorderingsrapport (max. twee bladzijden, op standaardformulier). De vorderingsrapporten van eerstejaars, derdejaars en latere jaars zullen aan de promotor (en ev. co-promotor) bezorgd worden ter evaluatie en ter goedkeuring. Twee jaar na deaanvang van een doctoraat en voor de aanvraag tot verlenging van een beurs of mandaat, moet er een officieel georganiseerde discussie plaatsvinden over de voortgang van het onderzoek. Deze discussie moet gevoerd worden door de leden van het supervisie-comité (de promotor(s), de co-promotor(s) en minstens twee andere leden van het zelfstandig academisch personeel van de onderzoekseenheid). Om deze discussie te organiseren ontvangen de coördinatoren van de onderzoekseenheden de voortgangsrapporten. De leden van het zelfstandig academisch personeel van de onderzoekseenheid bespreken tijdens de tweede of de derde week van juni de vordering van elke doctorandus/a en brengen advies uit bij de voorzitter van de Doctoraatscommissie. Indien de promotor, de onderzoekseenheid of de Doctoraatscommissie constateert dat het onderzoekswerk niet naar behoren vordert, houdt de Doctoraatscommissie, in haar samenstelling zoals bepaald in artikel 9.2 van dit reglement, een tussentijdse evaluatie van het desbetreffende doctoraatsproject. De voorzitter van de commissie nodigt de promotor(s) (c.q. co-promotor(s)) en de leden van het zelfstandig academisch personeel van de betrokken onderzoekseenheid uit om deel te nemen aan de bespreking. Na de student te hebben gehoord kan het Faculteitsbestuur op voorstel van de commissie beslissen de toelating tot inschrijving voor de doctoraatsopleiding niet te hernieuwen. De doctoraatscommissie kan ook vaststellen dat het vorderingsrapport ontbreekt. De doctorandus/a krijgt twee weken de tijd om zijn/haar vergetelheid goed te maken. De voorzitter van de Doctoraatscommissie stelt vast of de betreffende studenten zich in de regel hebben gesteld. Indien dit niet het geval is, wordt vanaf 1 oktober de uitbetaling van de beurs met één maand opgeschort. Andere dan facultaire beursinstanties zullen terzake op de hoogte gebracht worden. Artikel 5. Taal van het proefschrift 1. Kandidaten voor het doctoraat die ingeschreven zijn voor de doctoraatsopleiding in de Godgeleerdheid schrijven het proefschrift in het Nederlands. Op advies van de Doctoraatscommissie kan het Faculteitsbestuur toestaan dat het proefschrift in een andere taal opgesteld wordt. In dit geval wordt een uitvoerige samenvatting in het Nederlands in een bijlage van het proefschrift toegevoegd. 2. Kandidaten voor het doctoraat die ingeschreven zijn voor de doctoraatsopleiding in Theology schrijven het proefschrift in het Engels, Frans of Duits. Op advies van de Doctoraatscommissie kan het Faculteitsbestuur toestaan dat het proefschrift in een andere taal opgesteld wordt. In de gevallen waarbij het proefschrift niet in het Engels is geschreven, wordt een uitvoerige samenvatting in het Engels in een bijlage van het proefschrift toegevoegd. Artikel 6. Beoordeling en verdediging van het proefschrift 1. De academische graad van Doctor in de Godgeleerdheid wordt behaald na de openbare verdediging van het proefschrift. Tot de verdediging heeft toegang ieder die de hiernavolgende voorwaarden vervult: a. ten minste twee jaar in het bezit zijn van de academische graad van Master in de gespecialiseerde (studies in de) godgeleerdheid en de godsdienstwetenschappen/Master of Advanced Studies in Theology and Religion, of door de Faculteit rechtstreeks toegelaten zijn tot de doctoraatsopleiding; b. het voorgeschreven programma van de doctoraatsopleiding met succes hebben voltooid; c. de pdf-file van de doctoraatsthesis doorgestuurd hebben naar Lirias voor elektronische archivering na goedkeuring voor de verdediging door het leescomité en voor de publieke verdediging. 2. Met de schriftelijke toestemming van de promotor(s) (c.q. en de co-promotor(s)) legt de kandidaat voor het doctoraat het niet-ingebonden manuscript van het voltooide proefschrift aan het Faculteitsbestuur voor met het verzoek om toegelaten te worden tot de verdediging. Er is ook een attest toegevoegd waarin de secretaris van de Doctoraatscommissie namens de commissie verklaart dat kandidaat de doctoraatsopleiding met succes heeft voltooid. De omvang van het proefschrift bedraagt tussen 150.000 à 175.000 woorden (ca. 300 blz. A4). De Doctoraatscommissie kan mits grondige motivering door de onderzoekseenheid een afwijking van deze norm toestaan. Voor de vormelijke afwerking van het proefschrift houdt men zich aan de facultaire Richtlijnen voor het schrijven van scripties, verhandelingen, onderzoeksscripties en proefschriften. 3. Nadat de decaan heeft vastgesteld dat de kandidaat voor het doctoraat aan alle voorwaarden voldoet om toegelaten te worden tot de verdediging en op voorwaarde dat het Faculteitsbestuur tijdens de vergadering kan beschikken over een volledige kopie van het proefschrift, stelt het Faculteitsbestuur een leescomité samen. Daartoe kunnen de promotor(s) van het proefschrift en de coördinator van de onderzoekseenheid waarvan de kandidaat lid is, in onderling overleg, namen voordragen van lezers. De promotor(s) hoort/horen op voorhand de kandidaat in verband met de samenstelling van het comité. Het leescomité wordt samengesteld door de (Vice-)Rector op voorstel van de Faculteit. Minstens een lid van het leescomité moet afkomstig zijn van buiten de K.U.Leuven. Binnen de twee weken na het indienen van het proefschrift levert de kandidaat een lijst van stellingen in op het faculteitssecretariaat. Deze lijst bevat drie à vijf stellingen waarin de voornaamste resultaten van het onderzoek zijn opgesomd; daarnaast zijn er een of meer stellingen toegevoegd die de relevantie van het proefschrift aantonen voor het geheel van de theologie of voor bepaalde domeinen buiten het vakgebied van het proefschrift, voor andere wetenschappen of voor kerk en samenleving. Het secretariaat bezorgt de lijst van stellingen onmiddellijk aan de leden van het leescomité. Binnen de tijd van zes weken na de samenstelling van het leescomité door het Faculteitsbestuur, vakantieperiodes niet meegerekend, bezorgen de leden van het leescomité aan de decaan een schriftelijke evaluatie over het voorgelegde proefschrift en de stellingen. Zij gebruiken hiervoor het standaardformulier dat hun door het faculteitssecretariaat bezorgd wordt. Onder vakantieperiodes moet worden verstaan de kerstvakantie, de januarizittijd, en de periode vanaf de afsluiting van de tweede gewone examenperiode tot aan het begin van de derde gewone examenperiode. Indien omwille van uitzonderlijke omstandigheden van deze procedure afgeweken dient te worden, kan een verzoek hiertoe overgemaakt worden aan het Faculteitsbestuur, die hierover een beslissing treft. 4. Zodra de leden van het leescomité binnen de vastgestelde tijd hun beoordelingsrapport over het proefschrift en over de stellingen bij de decaan hebben ingeleverd, roept deze het comité samen voor beraadslaging. Alvorens een beslissing te nemen hoort het comité de kandidaat. De beoordeling van het voorgelegde proefschrift door het leescomité gebeurt in één of twee stappen: 1° Placet (iuxta modum) of non placet nisi corrigatur - Placet betekent dat het proefschrift aanvaard is voor verdediging. Placet iuxta modum betekent dat het proefschrift principieel aanvaard is voor de verdediging, maar dat er eerst een aantal correcties moeten worden aangebracht. In beide gevallen ontvangt de decaan, samen met de promotor(s), de kandidaat en rapporteert over de beslissing van het leescomité. In het geval van placet, bezorgt de promotor(s) aan de kandidaat, binnen de drie dagen, een schriftelijk syntheserapport, dat de beoordeling toelicht. Het staat de kandidaat vrij suggesties die het leescomité heeft gemaakt te verwerken voor het inleveren van de ingebonden exemplaren van het proefschrift. In het geval van placet iuxta modum, bezorgt de promotor(s) aan de kandidaat, binnen de drie dagen, een schriftelijk syntheserapport, dat de beoordeling toelicht en de vereiste aanpassingen opsomt. Wanneer de kandidaat oordeelt dat het herziene proefschrift aan de gestelde vereisten voldoet, kan zij of hij, met de schriftelijke toestemming van de promotor(s) (c.q. de co-promotor(s)), het gecorrigeerde deel/delen van het proefschrift opnieuw indienen bij de decaan, die het vervolgens aan het leescomité voorlegt. Een nieuwe vergadering van het comité is enkel vereist als één of meerdere leden van het leescomité een (nieuw) probleem meldt met betrekking tot de gecorrigeerde tekst. In de regel kunnen de leden van het leescomité via e-mail hun oordeel uitspreken over de aanvaardbaarheid van het gecorrigeerde deel/delen van het proefschrift, en dit binnen de tijdslimiet afgesproken tijdens de initiële vergadering van het leescomité. - Non placet nisi corrigatur betekent dat het proefschrift slechts aanvaardbaar is voor verdediging op voorwaarde dat de kandidaat het proefschrift volledig herwerkt volgens de vereisten opgelegd door het leescomité. Indien de beoordeling non placet nisi corrigatur luidt, verloopt de procedure als volgt. De decaan deelt deze beslissing mee aan de kandidaat onmiddellijk na de beraadslagingsvergadering van het leescomité. Binnen de week bezorgt de promotor aan de kandidaat een schriftelijk rapport dat de beoordeling door de lezers omstandig toelicht en de vereisten aangeeft voor de herbewerking van het proefschrift. Op basis van dit rapport herwerkt de kandidaat het proefschrift binnen de tijd van maximum zes maanden. 2° Placet of non placet - Wanneer de kandidaat oordeelt dat het herziene proefschrift aan de gestelde vereisten voldoet, kan zij of hij, met de schriftelijke toestemming van de promotor(s) (c.q. de co-promotor(s)), het proefschrift opnieuw indienen bij de decaan, die het vervolgens aan het leescomité voorlegt. Gewoonlijk vergadert het comité na verloop van drie weken opnieuw om een definitieve beoordeling uit te spreken over de aanvaardbaarheid van het werk. Het eindoordeel is placet (aanvaard) of non placet (niet aanvaard). - Ingeval van placet deelt de decaan dit oordeel onmiddellijk aan de kandidaat mee. In geval van non placet roept de decaan het leescomité en de kandidaat samen ten einde de niet-aanvaarding van het proefschrift mee te delen en toe te lichten. 5. Zodra het door het leescomité aanvaarde proefschrift ingebonden is, levert de kandidaat voor het doctoraat zes exemplaren van het proefschrift, de definitieve lijst met stellingen en een samenvatting in het Nederlands en het Engels bij de decaan in. Hij/zij voert zelf een PDF-file van zijn/haar definitieve versie in Lirias in via KULoket. Het indienen van het proefschrift, zowel gedrukt als elektronisch, geldt als de officiële toelating tot de publieke verdediging. Het leescomité wordt hiermee aangesteld als examencommissie, waarvan de decaan, of zijn plaatsvervanger, de voorzitter is. De decaan deelt de samenstelling van de examencommissie aan de Rector mee. Ten laatste vijf werkdagen voor de verdediging ontvangen de promotor(s) (c.q. co-promotor(s)) en de correctoren de definitieve, ingebonden versie van het proefschrift. Voor die datum dient het proefschrift ook elektronisch gearchiveerd in Lirias. Indien deze voorwaarden niet worden vervuld, kan de publieke verdediging niet plaatsvinden op de datum (werkdag) die het einde van de vijf werkdagen aangeeft. Indien deze voorwaarden worden vervuld, delen de promotor(s) (c.q. co-promotor(s)) en de correctoren hun individuele beoordeling van het ingediende proefschrift schriftelijk aan de decaan mee ten laatste twee werkdagen voor de verdediging. Deze beoordeling slaat op het werk in zijn definitieve vorm en drukt zich uit in een cijfer op een totaal van twintig punten. 6. Gewoonlijk heeft de publieke verdediging van het proefschrift en de toegevoegde stellingen plaats in de Promotiezaal van de Universiteit binnen de drie weken nadat placet werd toegekend door het leescomité. Verdedigingen kunnen plaatshebben vanaf de derde week van september tot en met de eerste week van juli. De publieke verdediging verloopt als volgt. Eerst stelt de kandidaat voor het doctoraat gedurende vijftien minuten de voornaamste onderzoeksresultaten voor. Vervolgens spreekt de promotor gedurende vijftien minuten een beoordeling en laudatio uit; voor het geval er een co-promotor is, kan deze in afspraak met de promotor een beoordeling uitspreken binnen de tijd toegemeten aan de promotor(s). De drie correctoren treden ieder gedurende vijftien minuten in discussie met de kandidaat. De korte samenvatting van het proefschrift wordt samen met de stellingen ter beschikking gesteld van het publiek. Na de verdediging trekt de examencommissie zich voor beraadslaging terug. De examencommissie bepaalt een gemeenschappelijk cijfer. Dit cijfer wordt gegeven op basis van het proefschrift in zijn definitieve vorm en van de defensie. De som van het gemeenschappelijke cijfer en de individuele beoordelingen door promotor(s) (c.q. co-promotor(s)) en correctoren drukt het eindresultaat uit; dit resultaat wordt in percent uitgedrukt; er wordt geen graad toegekend. De examencommissie neemt na de student/e gehoord te hebben tevens een beslissing over de toegankelijkheid van het elektronisch gearchiveerde proefschrift (internet, intranet of onder embargo). Indien de student/e beslist om zijn/haar proefschrift op het internet te plaatsen, zal het leescomité dit toestaan tenzij er zwaarwichtige redenen zijn om dit verzoek af te wijzen. Indien de student/e beslist om zijn/haar proefschrift voorlopig niet te publiceren, dan zal het leescomité het proefschrift voor een periode van maximum vijf jaar onder embargo plaatsen. De voorzitter van de examencommissie deelt de promotie tot Doctor in de Godgeleerdheid/Doctor in Theology (Ph.D.) in de Promotiezaal aan het publiek mee. Aan de gepromoveerde wordt tevens de doctorsbul van Sacrae Theologiae Doctor overgereikt in zoverre aan de vereisten voor het verkrijgen van de canoniekrechtelijk graad is voldaan. Binnen de maand na de promotie worden de officiële stukken van het bij decreet vastgelegde diploma van Doctor in de Godgeleerdheid aan de gepromoveerde overhandigd. De promoties van het lopende academiejaar worden vermeld tijdens de plechtige proclamatie en promotie aansluitend op de tweede en de derde gewone examenperiode. 7. Publicatie van het proefschrift 1. Teneinde blijk te geven van de bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de theologische wetenschap worden kandidaten voor het doctoraat verplicht om in het kader van de doctoraatsopleiding vóór de verdediging van het proefschrift afgeronde delen van hun onderzoekswerk in de vorm van een of meerdere wetenschappelijke artikels bekend te maken. Daartoe leggen zij de tekst van het artikel ter goedkeuring aan de promotor voor. Indien de promotor oordeelt dat de voorgelegde tekst publiceerbaar is, biedt men het artikel aan de redactie van een wetenschappelijk tijdschrift aan. De tijdschriften die een herkenbare band met de Faculteit hebben, komen hiervoor in het bijzonder in aanmerking. 2. Na de promotie en mits gunstig advies van de examencommissie kan de gepromoveerde het proefschrift voor publicatie aanbieden, bij voorkeur aan een van de reeksen die een herkenbare band hebben met de Faculteit of andere door de Onderzoekscel goedgekeurde reeksen. (Annua Nuntia Lovaniensia, Bibliotheca Ephemeridum Theologicarum Lovaniensium, Bibliothèque de la Revue d'histoire ecclésiastique, Louvain Theological and Pastoral Monographs, Textes et Etudes Liturgiques/Studies in Liturgy). Anderzijds kunnen ook gedeelten van het proefschrift omgewerkt worden tot een of meerdere artikels en aan de redactie van een wetenschappelijk tijdschrift worden voorgelegd. Het verdient aanbeveling deze aanvraag ook te richten tot de onder 1 genoemde tijdschriften. 3. De auteur behoudt de volledige morele rechten (de rechten als auteur, de beslissing om zijn/haar werk publiek bekend te maken, het recht op integriteit) en de eigendomsrechten over zijn/haar proefschrift, mits restrictie van de bepalingen inzake gebruiksrecht en de rechten van co-auteurs die beschreven zijn in artikel 3 en 4 van de Universitaire richtlijnen.( https://www.kuleuven.be/admin/st/niv3/ja-i83e.htm). De auteur blijft bijgevolg volledige beslissingsvrijheid hebben over andere vormen van publicatie na de verdediging. Deel II Bepalingen voor de doctoraatsopleiding Artikel 8. Doelstelling en omschrijving 1. De doctoraatsopleiding heeft als eerste doel de kennis van de kandidaten voor het doctoraat te verbreden en te verdiepen op het gebied van het wetenschappelijk theologisch onderzoek. Daarenboven beoogt de opleiding het doctoraatsonderzoek efficiënter te laten verlopen door een adequate begeleiding van de kandidaten, zodat zij hun belangrijkste taak, die bestaat in het leveren van een persoonlijke bijdrage tot het theologische onderzoek in de vorm van een proefschrift, binnen een redelijke termijn succesvol kunnen voltooien. Ten slotte beoogt het doctoraatsprogramma de student optimaal voor te bereiden op zijn/haar professionele carrière. 2. Het programma van de doctoraatsopleiding omvat een samenhangend geheel van onderwijs- en andere studieactiviteiten. Onderdelen van de doctoraatsopleiding kunnen gevolgd worden aan andere binnenlandse en buitenlandse universiteiten en instellingen voor wetenschappelijk onderzoek, en in het bijzonder deze waarmee de Faculteit samenwerkingsverbanden heeft opgezet. 3. De opleiding omvat verplichte en niet-verplichte opleidingsonderdelen die gericht zijn op een verbreding van de kennis en ervaring door methodologische verdieping, systematische begeleiding, discussie met andere deelnemers aan de opleiding, confrontatie met professoren uit het eigen vakgebied, presentatie van onderzoeksresultaten, internationale contacten, voorbereiden van publicaties, aanvullende vorming door de studie van talen en andere gespecialiseerde colleges, teamwerk. 4. Het volgen van de doctoraatsopleiding is een noodzakelijke voorwaarde voor het behalen van de graad van Doctor in de Godgeleerdheid en impliceert in de regel een residentieplicht van twee jaar. In uitzonderlijke gevallen kan iemand vrijgesteld worden van de verplichting tot het volgen van de doctoraatsopleiding. In dat geval wordt een vervangende opdracht opgelegd. Personen die niet worden vrijgesteld van het geheel van de doctoraatsopleiding kunnen voor ten hoogste 20% van de doctoraatsopleiding vrijstelling krijgen binnen de doctoraatsopleiding op grond van eerder gevolgde opleidingsonderdelen waarvan de algemene Doctoraatscommissie oordeelt dat zij bijzonder waardevol zijn in het kader van de doctoraatsopleiding. Dit kan slechts hoogst uitzonderlijk plaatsvinden voor een opleidingsonderdeel uit een tweede cyclus of aanvullende studie . 5. Ter dekking van kosten gemaakt in het kader van de doctoraatsopleiding ontvangt de doctorandus die niet tewerkgesteld is door het FWO-V en voor de opleiding is ingeschreven een financiële ondersteuning voor een bedrag van maximaal 1500 euro. Deze subsidie is bestemd voor activiteiten die plaatshebben tijdens de doctoraatsopleiding en er aantoonbaar verband mee houden. De volgende kosten komen in aanmerking voor ondersteuning van 750 euro: 1. Reis- en inschrijvingskosten voor deelneming aan een wetenschappelijk binnenlands of buitenlands congres, colloquium of andere wetenschappelijke bijeenkomst. Als voorwaarde geldt dat de aanvrager een bewijs van deelname voorlegt. Het volgen van een Summer School of studieverblijven in het buitenland (bijv. archiefwerk) komen eveneens in aanmerking, op voorwaarde dat de aanvrager een attest voorlegt dat door de bezochte instelling is afgeleverd. Doctoraatsstudenten uit de E.U. richten een aanvraag om subsidiëring van een congres of studieverblijf eerst tot het FWO-V of de Academische Stichting. Voor alle doctoraatsstudenten geldt dat de genoemde studieactiviteiten gebeuren met de schriftelijke goedkeuring van de promotor. 2. Vertaalkosten voor de publicatie van eigen wetenschappelijke artikelen die verband houden met het doctoraatsonderzoek. Dit geldt eveneens voor de kosten van het drukken van het proefschrift. 3. Kosten voor de aanschaf van relevante wetenschappelijke literatuur of voor het maken van fotokopies ten behoeve van het doctoraatsonderzoek, met een maximum van 250 euro. Mits gemotiveerd verzoek kan de doctorandus een bijkomende som van 750 euro bekomen voor de actieve participatie aan een internationale conferentie (lezing/presentatie van paper of poster). Beslissingen met betrekking tot bovenvermelde subsidiëring worden genomen door de voorzitter en de secretaris van de Facultaire doctoraatscommissie. Artikel 9. Facultaire Doctoraatscommissie 1. In de Faculteit Godgeleerdheid is een Doctoraatscommissie ingericht. Deze commissie behartigt de volgende taken: - Zij functioneert als toelatingscommissie die de aanvragen om toegang tot de doctoraatsopleiding behandelt. - Zij treedt op als onderwijscommissie die beraadslaagt over de algemene vorm van de opleiding en de regels ervan vastlegt. In het tweede trimester van het lopende academiejaar stelt zij het programma op voor het volgende academiejaar. De Doctoraatscommissie bewaakt de kwaliteit van de opleiding. - Zij is examencommissie voor de doctoraatsopleiding. 2. De facultaire Doctoraatscommissie is op de volgende wijze samengesteld: 1. de vice-decaan onderzoek, tevens voorzitter van de commissie; 2. de vice-decaan onderwijs, tevens secretaris van de commissie; 3. de zes coördinatoren van de onderzoekseenheden; 4. een ombuds, verkozen door de doctoraatsstudenten onder de voltijdse leden van het zelfstandig academisch personeel en de voltijdse leden van het assisterend academisch personeel en bijzonder academisch personeel met doctoraat, voor een hernieuwbare termijn van drie jaar; 5. één vertegenwoordiger gekozen uit de geleding van het assisterend academisch personeel en het bijzonder academisch personeel met doctoraat, volgens de procedure die door de desbetreffende geleding is vastgelegd, voor één verlengbare termijn van drie jaar; 6. twee vertegenwoordigers gekozen uit de geleding van het assisterend academisch personeel en het bijzonder academisch personeel, volgens de procedure die door de desbetreffende geleding is vastgelegd, beiden ingeschreven voor de doctoraatsopleiding, voor een hernieuwbare periode van twee jaar; 7. één vertegenwoordiger van de doctoraatsstudenten, ingeschreven in het Nederlandstalige programma, die niet tot het assisterend academisch personeel of het bijzonder academisch personeel (met uitzondering van de vrijwillig wetenschappelijk medewerkers) behoort verkozen volgens de procedure die door de desbetreffende geleding is vastgelegd, voor één verlengbare termijn van twee jaar; 8. zes vertegenwoordigers van de doctoraatsstudenten, één per onderzoekseenheid, ingeschreven in het internationale programma, die niet tot het assisterend academisch personeel of het bijzonder academisch personeel behoren, verkozen volgens de procedure die door de desbetreffende geleding is vastgelegd, voor één verlengbare termijn van twee jaar; 9. de administratief verantwoordelijke voor de doctoraatsopleiding. De vertegenwoordigers van het assisterend academisch personeel en het bijzonder academisch personeel, ingeschreven in het doctoraatsprogramma, alsook de vertegenwoordigers van de doctorandi/ae die niet tot een van deze geledingen behoren, nemen niet deel aan de vergadering van de doctoraatscommissie wanneer zij zich beraadt over de aanvragen om toelating tot de doctoraatsopleiding, over de individuele studieprogramma's en over de toekenning van financiële ondersteuning van doctoraatsstudenten, en wanneer zij optreedt als examencommissie. 3. De Doctoraatscommissie staat in voor het bepalen van de vorm van zowel de predoctorale opleiding als de doctoraatsopleiding (Graduate School) en legt de te volgen regels ervan vast. Zij beslist na raadpleging van de promotoren, over de goedkeuring van de programma's die haar door de doctorandi worden voorgelegd. De Doctoraatscommissie ziet toe op de uitvoering en de regelmatige evaluatie van de individuele programma's en beslist over de toekenning van het getuigschrift van zowel het predoctoraal jaar als de doctoraatsopleiding. Zij bepaalt, na raadpleging van de promotoren, in de gevallen die niet door dit reglement zijn vastgelegd, de studieomvang die aan afzonderlijke opleidingsonderdelen, al dan niet uit onderstaande lijst, toegekend wordt. De Doctoraatscommissie beslist over de uitzonderingen op de residentieverplichting, na raadpleging van de betrokken promotor. Zij kan in uitzonderlijke gevallen ontslaan van de verplichting tot het volgen van de doctoraatsopleiding of van een gedeelte ervan. Op verzoek van de betrokkenen is de Doctoraatscommissie, in haar hoedanigheid van onderwijs- of examencommissie, ertoe gehouden elke promotor en elke doctorandus te horen. De afgevaardigden van het assisterend academisch personeel en bijzonder academisch personeel en van de doctorandi in de Faculteitsraad kunnen, in hun hoedanigheid van verkozen vertegenwoordigers, vragen door de Commissie gehoord te worden. Een lid van de Commissie dat tevens promotor is, neemt geen deel aan de bespreking van de doctorandi die onder haar of zijn leiding werken. Artikel 10. Opleidingsprogramma De kandidaten voor het doctoraat bezorgen tenminste eenmaal per jaar attesten aan de secretaris van de Doctoraatscommissie waarop het gevolgde onderwijs en de uitgevoerde andere studieactiviteiten en prestaties vermeld staan. De attesten zijn vergezeld van de nodige bewijsstukken. De secretaris legt regelmatig de voorgelegde opleidingsonderdelen ter goedkeuring aan de commissie voor. A. VERPLICHTE ACTIVITEITEN Wetenschappelijke publicatie(s), met supervisie 1. Ten minste één publicatie op internationaal niveau. Onder een publicatie met internationale verspreiding wordt verstaan: een gereviewde bijdrage (artikel in een tijdschrift met IT-classificatie, boek, conference proceeding) geschreven in de forumtaal van het vakgebied, gericht op een internationaal publiek; of 2. drie artikels in een publicatie met nationale verspreiding (tijdschrift of boek); of 3. de enige auteur zijn van een boek of monografie. Deelname aan activiteiten van de onderzoekseenheid waartoe men behoort: 4. Van de doctoraatskandidaat wordt verwacht dat hij/zij participeert in vergaderingen, conferenties en lezingen binnen de eigen onderzoekseenheid. In de loop van het doctoraatsprogramma wordt van de doctoraatsstudent verwacht dat hij/zij ten minste twee publieke presentaties geeft van het eigen onderzoek. Dit dient te gebeuren in de vorm van een lezing, gevolgd door een discussie. Internationale wetenschappelijke congressen 5. Van elke doctoraatsstudent wordt verwacht dat hij/zij minstens eenmaal actief deelneemt (d.w.z. een lezing of presentatie van een paper of een poster) aan een internationaal, wetenschappelijk congres. Onderzoekscolleges, colleges en seminaries op doctoraatsniveau met evaluatie (max. vier) 6a. Elk specialisme/major organiseert in het kader van de Master in de gespecialiseerde studies in de godgeleerdheid en de godsdienstwetenschappen in een tweejaarlijks systeem vier onderzoekscolleges waarin studenten betrokken worden bij het lopende onderzoek. In het eerste jaar van zijn/haar doctoraatsopleiding volgt de doctorandus/a in de regel verplicht de twee onderzoekscolleges die voor zijn/haar specialisme/major georganiseerd worden, waaraan hij/zij nog niet deelnam (in het kader van genoemde Master). In zoverre hij/zij deze vroeger reeds volgde, worden de onderzoekscolleges van het daaropvolgende jaar verplicht op het programma genomen. Een doctorandus/a die onmiddellijk in het doctoraatsprogramma toegelaten werd, schrijft in de regel alle vier deze onderzoekscolleges in zijn/haar programma in tijdens de eerste twee jaren van zijn/haar doctoraatsopleiding. Doctorandi die vóór het academiejaar 2004-2005 de doctoraatsopleiding zijn gestart, moeten minimaal één onderzoekscollege volgen tijdens de opleiding. 6b. Daarnaast kan de doctorandus/a aansluitend bij het eigen onderzoeksproject maximum nog twee andere onderzoekscolleges uit de Master in de gespecialiseerde studies in de godgeleerdheid en de godsdienstwetenschappen in zijn/haar programma opnemen. Ook kunnen er colleges/seminaries op doctoraatsniveau uit andere opleidingen en universiteiten in het programma worden opgenomen. De doctoraatscommissie oordeelt over het vereiste doctoraatsniveau van deze laatstgenoemde colleges/seminaries en moet toestemming geven voor opname hiervan op het doctoraatsprogramma. (26 contacturen met evaluatie; tweemaal verplicht te volgen tijdens de opleiding). Doctoraatsplan en voortgangsrapporten 7. Vóór 31 mei/22 augustus dient de doctoraatsstudent/e een door hemzelf/haarzelf en door zijn/haar promotor ondertekend doctoraatsproject in op het secretariaat evenals een elektronische versie per e-mail. Vóór 31 mei van de daaropvolgende jaren dient de doctoraatsstudent/e een door hemzelf/haarzelf en door zijn/haar promotor ondertekend vorderingsrapport in. Twee jaar na de start van de doctoraatsopleiding moet elke doctoraatsstudent verschijnen voor een supervisie-comité (promotor(s), co-promotor(s) en twee andere leden) dat op basis van de ingediende voortgangsrapporten de vorderingen van de doctoraatsstudent bespreekt. B. ANDERE STUDIEACTIVITEITEN EN PRESTATIES (OPTIONEEL) (Aanbevolen activiteiten om via KULoket een eigen portfolio aan te leggen op "My PHD") 1. Opleidingsonderdelen uit tweede en derde cyclus Uit de programma's van de tweede en derde cyclus door de Faculteit (of door een andere faculteit aan de KULeuven of door een andere Belgische of niet-Belgische universiteit) ingericht kunnen vakken of seminaries gevolgd worden die aansluiten bij het doctoraatsonderzoek van de kandidaat. 2. Nationale publicaties (die niet vallen onder punt 2) - Recensies, kronieken, rapporten - Redactie (editing) van een boek of tijdschrift, met vermelding van de naam van de doctorandus/a Er wordt rekening gehouden met de inbreng in conceptie, presentatie (inleiding en slot), redactie en vertaling. In geval van co-publicatie zal het aandeel van de doctorandus/a zo nauwkeurig mogelijk geëvalueerd worden. 3. Congressen, studiebijeenkomsten, studieverblijven en lezingen - Deelname aan (inter-)universitaire, (inter-)facultaire of interdisciplinaire workshops of lezingen in binnen- en buitenland. - Gesuperviseerde studieverblijven in het kader van het doctoraatsproject aan binnen- of buitenlandse universiteiten of onderzoekscentra. - Deelname aan activiteiten van wetenschappelijke onderzoeks- en contactgroepen in binnen- en buitenland. - Uiteenzettingen voor studenten van de 1e cyclus. - Uiteenzettingen voor studenten van de 2e en 3e cyclus. 4. Begeleiding Voor het assisterend academisch personeel en het bijzonder academisch personeel (ook voor andere doctoraatsstudenten, mits goedkeuring van de Doctoraatscommissie): hulp bij begeleiding van licentiaatsverhandelingen en scripties in de eigen discipline (AAP/BAP); aansluitend bij het eigen doctoraatsonderzoek (voor andere doctoraatsstudenten). 5. Wetenschappelijke dienstverlening - Wetenschappelijke medewerking aan facultaire onderzoekscentra. - Wetenschappelijke medewerking aan facultaire colloquia. - Wetenschappelijke medewerking aan publicaties van leden van de onderzoekseenheid of aan publicaties van externe docenten die publiceren in het vakdomein van de doctorandus/a. - Medewerking aan Permanente vorming 6. Didactische vorming en medewerking aan projecten van onderwijsvernieuwing Didactische vorming die door de Universiteit wordt georganiseerd voor assistenten en andere doctorandi of medewerking aan onderwijsvernieuwende projecten. OUD REGLEMENT Lidmaatschap van een onderzoeksafdeling (of centrum) Personen die toegelaten zijn tot de doctoraatsopleiding worden volwaardig lid van de afdeling of het centrum waar hun onderzoeksproject bij aansluit (Bijbelwetenschap, Dogmatische theologie, Moraaltheologie, Geschiedenis van kerk en theologie, Pastoraaltheologie of het Interdisciplinair Centrum Religiestudie). Voor 10 oktober van het jaar waarin zij de doctoraatsopleiding aanvatten, dienen zij een door de promotor ondertekend doctoraatsproject in op het secretariaat. Zij maken hiervoor gebruik van het standaardformulier dat zij tezamen met de toelatingsbrief voor de doctoraatsopleiding ontvangen. De leden van het zelfstandig academisch personeel van de afdeling gaan tijdens de tweede of de derde week van oktober na of het voorgelegde project voldoende aansluiting heeft bij de onderzoekszwaartepunten van de afdeling. Tevens wordt bijzondere aandacht besteed aan het feit of de doctorandus/a in staat is om de basisliteratuur van het onderzoek in de originele taal te bestuderen. Indien blijkt dat dit niet het geval is, zal het doctoraatsproject afgewezen worden. Als lid van een afdeling nemen de kandidaten voor het doctoraat deel aan de vergaderingen waarvoor zij uitgenodigd zijn. Elke kandidaat geeft in de loop van de opleiding ten minste tweemaal een voorstelling van het eigen doctoraatsonderzoek onder de vorm van een lezing gehouden voor de leden en de genodigden van de afdeling. Toelatingsvoorwaarden Tot de doctoraatsopleiding in de Godgeleerdheid/Theology, zoals vastgelegd in het reglement, heeft toegang de bezitter van het diploma van Master in de gespecialiseerde godgeleerdheid en godsdienstwetenschappen/Master of Advanced Studies in Theology and Religion dat door de Faculteit is uitgereikt. Het toelatingsonderzoek gebeurt door de facultaire doctoraatscommissie, in haar samenstelling zoals bepaald in artikel 9.2 van het reglement. De commissie onderzoekt de aanvragen van de kandidaten die onder meer voldoen aan de twee volgende voorwaarden: 1. zij hebben de graad van Master in de gespecialiseerde godgeleerdheid en godsdienstwetenschappen/Master of Advanced Studies in Theology and Religion ten minste cum laude behaald. 2. het niveau van de onderzoeksscriptie, of een daarmee gelijkgesteld werkstuk, voorgelegd voor het licentiaatsexamen bedraagt 75%. De commissie vergadert binnen de twee dagen na de beraadslagingen van de tweede en de derde gewone examenperiode. Zij vraagt het advies van de promotor en de correctoren van de onderzoeksscriptie. De voorzitter van de commissie deelt de gemotiveerde beslissing schriftelijk aan de betrokken studenten mee. Personen die een tweede cyclus-diploma in de Godgeleerdheid hebben verworven aan een andere Belgische of buitenlandse universiteit kunnen op dezelfde voorwaarden als hierboven onder 1. genoemd toegelaten worden tot de doctoraatsopleiding. Het toelatingsonderzoek gebeurt door de facultaire doctoraatscommissie, in haar samenstelling zoals bepaald in artikel 9.2 van het reglement. De commissie onderzoekt de inhoud van de verschillende opleidingsonderdelen van het tweede cyclus-programma dat de aanvragers gevolgd hebben. Indien blijkt dat dit programma niet gelijkwaardig is met dat voor de academische graad van Master in de gespecialiseerde godgeleerdheid en godsdienstwetenschappen/Master of Advanced Studies in Theology and Religion door de Faculteit uitgereikt, wordt geen rechtstreekse toegang verleend tot de doctoraatsopleiding. De commissie geeft het dossier vervolgens door aan het facultaire Admissions Committee. Opbouw/structuur van de opleiding Het programma van de doctoraatsopleiding omvat een samenhangend geheel van onderwijs- en andere studieactiviteiten en prestaties ten belope van een studiebelasting van ten minste 1.500 uren en ten hoogste 1.800 uren. Dat komt overeen met een pakket van 60 studiepunten. Het opleidingsprogramma wordt gespreid over de gehele periode van voorbereiding van het proefschrift. Onderdelen van de doctoraatsopleiding kunnen gevolgd worden aan andere binnenlandse en buitenlandse universiteiten en instellingen voor wetenschappelijk onderzoek, en inzonderheid deze waarmee de Faculteit samenwerkingsverbanden heeft opgezet. De opleiding omvat verplichte en niet-verplichte opleidingsonderdelen die gericht zijn op een verbreding van de kennis en ervaring door methodologische verdieping, systematische begeleiding, discussie met andere deelnemers aan de opleiding, confrontatie met professoren uit het eigen vakgebied, presentatie van onderzoeksresultaten, internationale contacten, voorbereiden van publicaties, aanvullende vorming door de studie van talen en andere gespecialiseerde colleges, teamwerk. De kandidaten voor het doctoraat bezorgen ten minste eenmaal per jaar attesten aan de secretaris van de doctoraatscommissie waarop het gevolgde onderwijs en de uitgevoerde andere studieactiviteiten en prestaties vermeld staan. De attesten zijn vergezeld van de nodige bewijsstukken. De secretaris legt regelmatig de voorgelegde opleidingsonderdelen ter goedkeuring aan de commissie voor. Begeleiding De kandidaat voor het doctoraat bereidt het proefschrift voor onder de leiding van een promotor (c.q. co-promotor). Daartoe wordt een lid van het zelfstandig academisch personeel aangezocht dat tot een van de afdelingen van de Faculteit Godgeleerdheid behoort. Leden van het zelfstandig academisch personeel van de K.U.Leuven met onderwijsopdracht in de Faculteit kunnen promotor zijn van proefschriften in de Godgeleerdheid. Op advies van de afdeling kan het Bureau van de Faculteit leden van het zelfstandig of bijzonder academisch personeel van de K.U.Leuven zonder onderwijsopdracht in de Faculteit, leden van het academisch of wetenschappelijk personeel van andere Belgische of van buitenlandse universiteiten waarmee de K.U.Leuven terzake een akkoord heeft, aanstellen als promotor van een proefschrift. In deze gevallen treedt een lid van het zelfstandig academisch personeel van de betrokken afdeling als co-promotor van het desbetreffende doctoraatsonderzoek op. Op vraag van de promotor en met het advies van de afdeling kan het Bureau personen die tot een van de in het voorgaande lid genoemde geledingen behoren als co-promotor aanstellen. 'De promotor speelt een centrale rol bij de opleiding van de doctorandus/a. De promotor is verantwoordelijk voor het materieel en intellectueel klimaat waarbinnen de doctorandus zijn/haar onderzoek uitbouwt. Hij/zij heeft een stimulerende, coördinerende en evaluerende rol voor de ganse duur van het doctoraatsproces, en heeft bij de eindevaluatie van het doctoraat een zwaarwegende stem' (uit het 'Profiel van de goede promotor' (http://www.kuleuven.be/doctoreren/profiel)). De kandidaten voor het doctoraat bespreken ten minste tweemaal per semester hun onderzoekswerk met de promotor (c.q. co-promotor). Voor 10 oktober van elk jaar bezorgen zij aan de voorzitter van de facultaire doctoraatscommissie een vorderingsrapport (max. twee bladzijden, op standaardformulier) dat door de promotor (c.q. co-promotor) mede ondertekend is. Deze rapporten worden aan de voorzitters van de afdelingen bezorgd. De leden van het zelfstandig academisch personeel van de afdeling bespreken tijdens de tweede of de derde week van oktober de vordering van elke doctorandus/a en brengen advies uit bij de voorzitter van de doctoraatscommissie. Indien de promotor, de afdeling of de Doctoraatscommissie constateert dat het onderzoekswerk niet naar behoren vordert, houdt de doctoraatscommissie, in haar samenstelling zoals bepaald in artikel 9.2 van dit reglement, een tussentijdse evaluatie van het desbetreffende doctoraatsproject. De voorzitter van de commissie nodigt de promotor (c.q. co-promotor) en de leden van het zelfstandig academisch personeel van de betrokken afdeling uit om deel te nemen aan de bespreking. Na de student te hebben gehoord kan het Bureau op voorstel van de commissie beslissen de toelating tot inschrijving voor de doctoraatsopleiding niette hernieuwen.
| |
Toelatingsvoorwaarden | |
Tot de verdediging heeft toegang ieder die de hiernavolgende voorwaarden vervult: - sinds ten minste twee jaar in het bezit zijn van de academische graad van Master in de gespecialiseerde godgeleerdheid en godsdienstwetenschappen/Master of Advanced Studies in Theology and Religion, of door de Faculteit rechtstreeks toegelaten zijn tot de doctoraatsopleiding; - het voorgeschreven programma van de doctoraatsopleiding met succes hebben voltooid.
|
|
|
Doctoraatsopleiding in de Godgeleerdheid
| A00B0A | The Letters of St. Paul | 4 pt. | 26,0 h. | R. Bieringer | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A00B3A | Theology of Christian Doctrine | 4 pt. | 26,0 h. | T. Merrigan | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A00B6A | Theology and Modernity | 4 pt. | 26,0 h. | P. De Mey | ||||||
| A01B1A | Greek Patrology | 4 pt. | 26,0 h. | J. Leemans | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A01B3A | Church and Theology in the Modern Period | 4 pt. | 26,0 h. | N. | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A01B6A | Church, Faith and Communication Media | 4 pt. | 26,0 h. | H. Geybels | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A01B9A | World Religions and Ethics | 4 pt. | 26,0 h. | B. Broeckaert | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A02B1A | Post-Holocaust Jewish-Christian Relations | 4 pt. | 26,0 h. | D. Pollefeyt | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A05D5A | Seminar: Biblical Exegesis | 4 pt. | 26,0 h. | R. Bieringer N. m.m.v.: D. Kurek-Chomycz | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A05D7A | Christian Ethics and the Life Sciences | 4 pt. | 26,0 h. | J. De Tavernier | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A05D8A | Christian Social Traditions and Society | 4 pt. | 26,0 h. | J. Verstraeten | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A00B2A | Septuagint Studies - Qumran | 4 pt. | 26,0 h. | N. | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A00B4A | Issues in Contemporary Dogmatic Theology | 4 pt. | 26,0 h. | J. Haers | ||||||
| A00B5A | Fundamental Theology | 4 pt. | 26,0 h. | L. Boeve | ||||||
| A00B7A | Faith, Biblical Thought and Ethics | 4 pt. | 26,0 h. | Y. De Maeseneer | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A00B9A | Christian Ethics: Methodological Questions | 4 pt. | 26,0 h. | J. Selling | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A01B2A | Church and Theology in the Middle Ages | 4 pt. | 26,0 h. | R. Faesen | ||||||
| A01B4A | History and Theology of the Eastern Churches | 4 pt. | 26,0 h. | J. Leemans | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A01B5A | Pastoral Work in Care Services: Fundamental Issues | 4 pt. | 26,0 h. | coördinatie: M. Broesterhuizen M. Broesterhuizen A. Liegeois |
|||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A01B7A | Pastoral Theology: Contemporary Church | 4 pt. | 26,0 h. | M. Steen | ||||||
| A01B8A | Pastoral Work in Care Services: Practical Issues | 4 pt. | 26,0 h. | coördinatie: A. Liegeois M. Broesterhuizen A. Liegeois |
|||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A02B0A | Islam and Modern Society | 4 pt. | 26,0 h. | M. El Kaisy-Friemuth Geb. El | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A02B2A | Religion and Culture | 4 pt. | 26,0 h. | B. Broeckaert | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A02E0A | Pentateuch and Historical Books | 4 pt. | 26,0 h. | M. Vervenne plaatsv.: E. Tigchelaar | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| A02E6A | Topics in Synoptic Studies | 4 pt. | 26,0 h. | J. Verheyden | |||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||

